Een partij voor de dieren is toppunt van decadentie

Net terug uit Pakistan en India voor ontwikkelingswerk, hoor ik op de radio steeds een bekende Nederlander zeggen dat hij op de Partij voor de Dieren stemt.

Dit kan toch niet waar zijn? Ik had deze bewuste Bekende Nederlander altijd voor intellectueel aangezien.

En daar blijft het niet bij: op een dineetje zegt een disgenoot: ”Ik heb vijf poezen, dus ik stem op de Partij voor de Dieren.” Ik ontplofte zowat. Hebben wij mensen geen problemen meer? Zijn er geen oorlogen meer? Wordt er niet meer gemoord? Heeft iedereen eten en een dak boven het hoofd?

Waar is het parlement eigenlijk voor? Het is toch een volksvertegenwoordiging, geen poezenclub

De Partij-voor-de-Dieren-stemmers moeten eens door het centrum van Mumbai lopen en zien hoe op straat een kip levend wordt gewogen en ter plekke geslacht. Even een voetje erop zetten om te voorkomen dat `ie wegloopt. Nee, een kip is niet zielig: die eet je gewoon op, en je zou eigenlijk ook moeten zien hoe het beest wordt geslacht. Kennelijk zijn we in Nederland blind voor de werkelijkheid. We eten vlees, maar richten ook een partij op om meer poezen en hondjes te aaien, terwijl deze diertjes in dezelfde wereld gewoon worden opgegeten.

Een `Partij voor de Dieren` is het toppunt van decadentie. Was er tegen het eind van het welvarende Romeinse Rijk niet ook een bestuurder die de dieren hoog in achting had? Keizer Caligula, die zijn paard tot consul benoemde?

En al die welvarende Romeinen lagen te vreten en te zuipen terwijl ze hun huisdiertjes aaiden en hun leeuwen voedden met gevangenen. Terwijl achter hun rug dat grote machtige rijk door de dieronvriendelijke Hunnen en Goten werd verwoest.