Een heerser op vele fronten

Arie van der Zwan: Hij overwon iedereen op een vrouw na. F.H. Fentener van Vlissingen, 1882-1962. Balans, 410 blz. € 29,50

Hij was een zakenheld, een van de machtigste ondernemers van Nederland vóór de Tweede Wereldoorlog, die ondanks zakelijke samenwerking met de Duitse bezetter en twee onderscheidingen van Hitler, na de oorlog politiek onaantastbaar bleef. Hij bedroog zijn vrouw met de zus van een zakenpartner en hij poogde zijn bank voor een fortuin te misleiden bij een bedrijfsdebâcle. Nee, een fijngevoelige, empathische ondernemer die regelmatig op de werkvloer viel te signaleren, was Frits Fentener van Vlissingen (1882-1962) niet. Hij ontpopte zich al vroeg als een man met een ‘heersersnatuur’, schrijft Arie van der Zwan in zijn biografie met de merkwaardige titel Hij overwon iedereen op een vrouw na.

Fentener van Vlissingen was een van de bekendste ondernemers van Nederland. Als commissaris van de Jaarbeurs in Utrecht en als voorzitter van de Internationale kamer van Koophandel, zocht en vond hij de media. Hij zette als zakenman, financier, en ‘supercommissaris’ in het bedrijfsleven zijn stempel op de Nederlandse economie in de eerste helft van de 20ste eeuw. Niet alleen leidde hij decennia lang de steenkolenzaken en de Rijnvaart van de Steenkolenhandelsvereeniging (SHV), hij was als aandeelhouder en commissaris tevens nauw betrokken bij nieuwe industriële bedrijven als Enka (nu: Akzo Nobel), Hoogovens (nu: Corus) en Werkspoor (verdwenen) – drie bedrijven die jarenlang tot de grootste industriële werkgevers van Nederland behoorden. Alleen al aan zijn nevenfuncties had hij een dagtaak: op het hoogtepunt van zijn invloed in de jaren dertig, vervulde hij 44 commissariaten. Niet slecht voor een gesjeesde student (Polytechnische School Delft, civiel ingenieur), geboren met een gouden lepel in zijn mond (aandelen in familiebedrijf SHV), die van de concrete zaken (kolenhandel) niet veel verstand had.

Van der Zwans boek is onderdeel van de neue Welle van levensbeschrijvingen van de grondleggers van de Nederlandse economie van de 20ste eeuw. Eerdere voorbeelden daarvan zijn de opkomst en neergang van scheepsbouwer Verolme, beschreven door Ariëtte Dekker (besproken in Boeken, 13.01.06), de biografie van Anton Philips door Marcel Metze (besproken in Boeken, 22.10.04). En de biografie van die andere leidende figuur in de SHV, D.G. van Beuningen in Grootvorst aan de Maas van Harry van Wijnen (besproken in Boeken, 01.10.04). Nu grote bedrijven bestuurd worden in gremia van consensus-zoekende, collegiale bestuurders, ontstaat belangstelling voor de echte, archetypische entrepreneurs: de eenlingen die hun dromen en hun belangen volgden.

Deze nieuwe biografie lijkt ontsproten aan een eerdere boek van Van der Zwan over H.M. Hirschfeld, die als topambtenaar op het Ministerie van Handel en Nijverheid in en na de oorlog een cruciale rol speelde in de verruiming van de rol van de overheid in de economie. Het boek is daarnaast een welkome aanvulling op Van Wijnens boek over Van Beuningen. Ze waren niet alleen partners in het familiebedrijf. De maîtresse van Fentener van Vlissingen was de jongste zus van Van Beuningen. Een stamboom van de families en hun verwevenheid ontbreekt helaas bij Van der Zwan. In 1951 braken de twee families: de SHV ging naar Fentener van Vlissingen, de beleggingen naar de Van Beuningens, die de effecten later verkochten aan vermogensbeheerder Robeco. De veranderingen in het familiebedrijf illustreren de veranderingen in de Nederlandse economie: eerst transport, dan eigen industrialisatie, na de oorlog naar nieuwe partnerschappen met Amerikaanse bedrijven, en tegenwoordig geven vermogensbeheer, beleggingen en rentenieren de toon aan.

Juist het vermogen van vele miljarden euro’s maakt de familie Fentener van Vlissingen nog steeds interessant. Op de nieuwste Quote-lijst van de 500 rijkste Nederlanders staat de familie met drie vertegenwoordigers in de top-tien. Over het geld verschaft de biografie echter niet veel informatie. Ook het privéleven van Fentener van Vlissingen, zijn huwelijk, de kinderen en zijn minnares gedurende 25 jaar komen er bekaaid vanaf, ondanks de titel van het boek.

Het portret dat Van der Zwan schetst van zijn hoofdpersoon is zakelijk, soms ontluisterend en leest hier en daar als een aanklacht. Van der Zwan heeft een fijn oog voor de belangentegenstellingen tussen Fentener van Vlissingen in zijn rol als adviseur van de overheid en zijn financiële belangen als aandeelhouder van het familiebedrijf. Maar ook voor de ideologie van vrijhandel die Fentener van Vlissingen uitdroeg, mede als voorzitter van de Internationale Kamer van Koophandel, terwijl de SHV juist zo winstgevend was dankzij afscherming van de markt en zijn rol als Nederlands verkoopkantoor voor het Duitse kolenkartel.

Indringend komt de rol in de Tweede Wereldoorlog aan bod van het familiebedrijf en van drie grote industriële bedrijven, waar Fentener van Vlissingen als commissaris actief was. Hij was kennelijk te belangrijk om als gijzelaar in St. Michielsgestel gevangen te worden gezet, zoals veel van de latere kopstukken in de politiek. De beschermende rol die Prins Bernhard aan het eind van de oorlog speelde, had meer uitwerking verdiend.

Toen de zuidelijke Nederlanden in september 1944 bevrijd werden, was Fentener van Vlissingen, die een landgoed bij Vught had, daar ook al. Hij legde met een uitgebreid exposé de basis voor de aanvaarding van de rol die ondernemers in de oorlog hadden gespeeld. Hij bleef ook na de oorlog buiten schot, al hadden vooral de Britten zijn familiebedrijf best willen aanpakken. Sterker nog: Fentener van Vlissingen kreeg het voorzitterschap van een commissie die de rol van topambtenaar Hirschfeld op het ministerie van Handel en Nijverheid in de oorlog moest beoordelen. ‘Hij kwam er mee weg’, moet Van der Zwan concluderen, en niet alleen bij deze gang van zaken.

In zijn beschrijving is Van der Zwan het best op dreef als hij feiten kan kleuren met algemene observaties en wijsheden uit het bedrijfsleven. Zij roepen herinneringen op aan Van der Zwans eigen levensloop in het bedrijfsleven, onder meer als de gedoodverfde opvolger van Anton Dreesmann, ook al zo’n Macher. Van der Zwans persoonlijke observaties illustreren dat historici weliswaar steeds meer biografieën van ondernemers schrijven, maar dat memoires van moderne Nederlandse zakenlieden door hun aanhoudende schaarste meer waarde krijgen.