Een dame én een vent

Hoort het werk van Hella Haasse eerder thuis in de hoffelijke Franse literaire traditie dan in de Nederlandse? Lees haar nieuwe verhalenbundel.

Hella S. Haasse: Het tuinhuis. Querido. 152 blz. € 16,95

Een nieuwer firmament. Hella S. Haasse in tekst en context. Onder redactie van Arnold Heumakers, Anthony Mertens en Peter van Zonneveld. Querido. 224 blz. € 19,95

Zou Hella Haasse eerder tot de top van de Nederlandse literatuur zijn gerekend als ze een wat minder degelijk imago had gehad? Zou het haar reputatie goed hebben gedaan als ze niet zo keurig was geweest? Als ze zich bijvoorbeeld, in navolging van Mulisch, een keer in een strak badpak op een omslag had laten afbeelden, al dan niet met uitzicht op een vulkaan? Als ze haar uitgever met processen had gedreigd, zoals Hermans en Reve? Als ze zich, net als Reve, met de nodige ophef, zou hebben bekeerd tot iets? We zullen het nooit weten en nu doet het er ook niet meer toe: iedereen is het er inmiddels wel over eens dat Haasse in productie en kwaliteit nooit onder heeft hoeven doen voor de zogeheten ‘grote drie’.

Toch hebben de verschillende beschouwers van haar werk in een net verschenen bundel duidelijk er geen vrede mee dat zij aanvankelijk tot de literaire subtop is gerekend. In bijna alle bijdragen aan Een nieuwer firmament wordt wel iets rechtgezet. Er wordt uitgebreid stilgestaan bij de fictieve, (auto)biografische, Franse, Italiaanse, Indische en essayistische aspecten en bij de nodige misverstanden over Haasses werk. ‘Een van de misverstanden is dat ze louter een gereserveerde waarnemer zou zijn van het menselijk leven’, merkt Nelleke Noordervliet zuinigjes op. Zij roemt vervolgens haar zintuiglijke en dus juist helemaal niet afstandelijke manier van schrijven. Ook Arnold Heumakers wijst erop dat Haasse niet alleen bezonnen, erudiet en altijd redelijk is, maar ook iemand die in het volle leven staat en daarop met grote betrokkenheid reageert. Elsbeth Etty prijst haar om haar standvastige, onafhankelijke manier van denken, die in het benepen Nederlandse culturele klimaat niet altijd op juiste waarde zou zijn geschat. Dat brengt Margot Dijkgraaf, in weer een andere beschouwing, tot de lichtjes provocerende slotsom dat Haasses werk – bijna integraal vertaald in het Frans en door Franse lezers van meet af aan met veel waardering begroet – eerder thuishoort in de hoffelijke Franse literaire traditie dan in de Nederlandse. Het meest prikkelende stuk is dat van Heumakers over ‘het kwaad’ in het werk van Haasse. Hij stelt handenwrijvend vast dat er meer kwaad in zit dan men zou denken. Haasse moet niet alleen gezien worden als een aardige, beschaafde en belezen dame, maar ook als een vent, die ergens voor staat – dat klinkt steeds door in Een nieuwer firmament.

Doodsbloemen

Na zoveel theorie is het extra prettig om Haasse zelf weer eens aan het woord te zien, in de verhalenbundel Het tuinhuis. Alleen ‘De korè’ is nieuw: een verontrustend verhaal over meisjes in Griekenland, die doodsbloemen aanbieden. Ook de andere zes verhalen die ik al kende of had kunnen kennen, bieden een fris aanzien: levendige formuleringen, interessante figuren, veel mysterie. Er is eigenlijk geen verschil tussen een verhaal uit 1948 of 2000, dat is misschien nog wel het meest opvallend aan deze bundel. En overal loert het kwaad. Het griezelig-mooie ‘Lidah Boeaja’ over een Japanse vrouw die een naargeestig bestaan leidt in Batavia, is van een vergelijkbare beeldende kwaliteit als ‘Een kruik uit Arelate’, dat zich in Frankrijk afspeelt, eeuwen geleden. Daarin gaat een schapenhoedster op pad naar de naburige stad om haar zwager terug te brengen naar zijn vrouw en zijn pasgeboren kind. Hij geeft haar een lege kruik mee om mee terug te nemen naar het dorp. De lezer krijgt in beide gevallen net niets te zien, maar voelt wel aan dat er iets noodlottigs staat te gebeuren. De toch al niet erg spraakzame Japanse vrouw wordt, zo valt te vrezen, definitief tot zwijgen gebracht, en de pasgeborene zal niet oud worden, lezen we tussen de regels door.

Het mooiste verhaal is ‘Genius loci’, uit 1995. Een echtpaar van middelbare leeftijd is neergestreken in een vakantiehuis in Frankrijk, in de gemeente Vy. De kinderen zijn de deur uit. De vrouw heeft alleen haar man nog. Een goed huwelijk, al ontbreekt er wel iets aan. ‘Het was haar onthouden gebleven’, staat er wat raadselachtig. Ogenschijnlijk is de seks tussen haar en haar man goed, zo vat ik het nu maar even kort samen, maar zij vindt er geen echte bevrediging in, omdat ‘het’, het orgasme, steeds is uitgebleven. Zij bekent dat niet aan haar man omdat zij met zoiets lichamelijks, waar volgens haar toch niets aan te doen zou zijn, hun mooie verhouding niet wil vertroebelen.

Dit vage ongenoegen mengt zich met het gevoel dat er in het bos rondom het huis een schim rondwaart. De vrouw is, net als Haasse, uitgerust met een onderzoekend karakter en kamt de omgeving uit. Al gauw komt ze, na nog wat aanvullend speurwerk in plaatselijke archieven, op het spoor van een zekere Renaud de Vy. Hij was de zoon van een ridder, maar moest zijn leven slijten in de bossen van Vy omdat hij op zijn negentiende melaats bleek te zijn. Vijftig jaar moest hij, volgens dit verhaal althans, ronddolen totdat zijn lichaam het begaf. Voor een ‘noble’, opgegroeid in de riddertraditie, behoorde een zelfgekozen dood niet tot de mogelijkheden: nog schandelijker dan de melaatsheid zelf.

Waterput

En zo zien wij, volgens vertrouwd recept, hoe Haasse een oud verhaal soepel weet op te nemen in een nieuw verhaal, hoe zij van een klein historisch feit een ontroerende geschiedenis weet te maken, met smartelijke en tot de verbeelding sprekende details. Haar melaatse wordt niet gewoon in quarantaine geplaatst, maar verstoten. Hij wordt op zijn negentiende officieel dood verklaard, volgens de toenmalige kerkelijke gebruiken. ‘De dodenmis wordt gelezen. Geknield, met een lijkwade over hoofd en schouders, is hij aanwezig bij zijn uitvaart. Aan de kerkdeur neemt hij, op afstand, voorgoed afscheid van zijn bloedverwanten en vrienden.’ Hij krijgt een hut toegewezen in het bos en een waterput. Daarmee moet hij het de rest van zijn droeve leven zien uit te zingen.

Je kunt het inleving noemen, maar ook een vorm van hoger sadisme, dit verhaal in een verhaal. Waarom moest die arme jongen vijftig jaren lijden? Was tien of vijftien ook al niet erg genoeg? Retorische vragen. Zo gaat het natuurlijk altijd bij Haasse. Zij duikt in de geschiedenis en laat haar verbeelding de vrije loop om een droefgeestig verhaal te kunnen vertellen.

Haar heldin bezoekt aan het eind van de zomer, vlak voor de terugreis naar Nederland, nog één keer de put van Renaud. Zoals wel vaker gaat ze op een omgevallen berkenstam zitten. Ineens doet die stam haar met zijn zijdeachtige, glanzende schilfers denken aan een melaatse huid. ‘In een opwelling’, staat er dan, ‘boog zij zich voorover en drukte haar lippen op de koele bast.’ Daarna komt er een onverwachte lichamelijke reactie op gang, die haar in ongekende vervoering brengt. Wat haar bij haar eigen man nooit is gebeurd, overkomt haar nu wel, bij alleen maar de gedáchte aan een man: een orgasme over zeven eeuwen heen, teweeggebracht door de kracht van de verbeelding. Dat is van deze verhalenbundel het hoogtepunt, in alle opzichten.

Deze week verschijnen bij Querido ook de eerste drie delen van het ‘Verzameld werk’ van Hella S. Haasse: Oeroeg (96 blz. € 17,95), De scharlaken stad (288 blz. € 19,95) en De Meester van de Neerdaling (200 blz. € 18,95)