Bot en Havelaar

In de `Retorica Column` (17 november) maakt Raymond van den Boogaard een wanstaltige vergelijking tussen het referaat van minister Bot voor de stamoudsten van Uruzgan en de `Toespraak tot de hoofden van Lebak` uit Max Havelaar. Aan de verschillende contexten wordt voorbijgegaan en de intentie van Max Havelaar als antikoloniaal document wordt geweld aangedaan. Havelaar spreekt de hoofden toe uit naam van het volk, hij wil dat er een eind komt aan verwaarlozing en plundering. Bot richt zich tot de stamoudsten vanuit de positie van bezettende macht en eist in feite hun medewerking. Havelaar spreekt met zijn hart, Bot als diplomaat.

Bot zoekt steun van de stamoudsten, de hoofden van Lebak verleenden allang steun aan het koloniale systeem. Max Havelaar: ”Om den geringen man daartoe te bewegen, was niet meer nodig dan een zeer eenvoudige staatkunde. Hy gehoorzaamt zyn hoofden, men had dus slechts deze hoofden te winnen door hun een gedeelte toe te zeggen van de winst . . . en het gelukte volkomen”. In Indië lukte dat nog bijna honderd jaar, in Afghanistan, waar `ontwikkelingshulp` het lokaas voor de stamoudsten is, is het eind van dit `dubbele gezag` (Multatuli) al zichtbaar. Van den Boogaard stelt dat de ideologische uitdaging van beide gezagsdragers dezelfde is: met `armoedebestrijding` en `opbouw` verhinderen dat radicalen de steun van de bevolking verwerven. Bot beloofde de stamhoofden o.a. het onderwijs te steunen. Multatuli schreef in 1869 in een brief over zulke hulp aan Indië: ”Wie inderdaad prys stelt op beschaving, tracht haar niet bespottelijk te maken door het uitreiken van geïllustreerde schoolboeken (-) aan slachtoffers van stelselmatige knevelarij, mishandeling en moord”.

Bot heeft in zijn toespraak de stamoudsten reeds voorgehouden dat het doden van onschuldigen door Nederlands militair geweld waarschijnlijk onvermijdelijk is.