Arabier, word wakker

Samir Kassir: Being Arab. Verso, 96 blz. € 20,99

Niet alles wat uit het Midden-Oosten komt is religieus, haatdragend of sensueel. Van Libanon tot Egypte leven en werken talloze individuen die een politiek en cultureel idioom spreken dat niets te maken heeft met zulke clichés. Samir Kassir (1960-2005) verdedigde als journalist voor de Libanese krant An-Nahar een Arabische democratisering, tegen zowel de dictatoriale praktijken van seculiere heersers in de regio als de aanspraken van de politieke islam. Hij verzette zich in zijn stukken fel tegen de Syrische inmenging in Libanon, een kritische houding die hem volgens veel van zijn bewonderaars uiteindelijk zijn leven kostte. In de vroege ochtend van 2 juni 2005 werd Kassir voor zijn woning opgeblazen toen hij zijn auto startte. De moord is niet opgehelderd, maar de meeste verdenkingen richten zich op het regime in Damascus.

Als eerbewijs aan deze Arabische journalist is nu Being Arab verschenen, de vertaling van zijn laatste, in 2004 uitgebrachte pamflet over de malaise van de Arabische wereld. Kassir spaart de Europese kolonisatoren niet die het Midden-Oosten volgens hem uit het lood hebben geslagen, maar heeft ook harde woorden voor de zelfgekweekte Arabische dictators die hun bevolkingen onder de knoet houden, en de islamisten die in de Arabische geschiedenis louter verval zien sinds de eerste kaliefs. Twee volken kunnen op zijn steun en sympathie rekenen omdat ze zich verzetten tegen de malaise: de Palestijnen, die tegen de klippen op hun zelfstandigheid bevechten, en de Libanezen, die met hun democratische ceder-revolutie het vreemde juk afschudden.

Kassir erkent in Being Arab volmondig dat de Arabische wereld er beroerd aan toe is (‘de Arabieren zijn het ellendigste volk ter wereld’, zegt hij retorisch), maar hij wijt dat niet zoals veel westerse commentatoren aan een principieel of in de islam verankerd onvermogen om de moderniteit binnen te treden. De Arabische wereld kende in de negentiende eeuw een sterke culturele renaissance, bekend als de nahda, die in Egypte, Libanon maar ook elders diepe sporen trok. Ook de modernisering van Turkije werd al ingezet vóór de komst van de revolutionaire Atatürk.

Deze modernisering liep volgens Kassir stuk door een combinatie van historische factoren: de internationale machtspolitiek, de oorlogen met Israël, en de onverwachte olierijkdom die de perifere en cultureel reactionaire Golfstaatjes opstootte. De reactionaire religieuze reflex van de politieke islam, die volgens Kassir als protestbeweging trekjes heeft van het Europese fascisme, helpt ook niet. Zomin als de gevolgen van de oorlog in Irak, die van het verstikkende ‘Arabische Pruisen’ van Saddam een ‘tweede Somalië’ dreigt te maken.

Helemaal overtuigend is die analyse van Kassir niet. Ook heeft hij weinig oog voor de – ondanks alles – sociale modernisering (alfabetisering, deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt) die ook onder dictaturen in de regio plaatsheeft. Dat neemt niet weg dat zijn aanbevelingen urgent zijn, hoe wanhopig ze ook klinken. Hij roept de Arabieren op te breken met hun klaaglijke zelfbeeld, complotten, en nostalgische reflexen.

Het is te hopen dat iets van die oproep waarheid wordt, maar alleen met meer Arabisch zelfbewustzijn zal dat niet lukken. Niet zolang de internationale context er een is van steun aan dictaturen en halfslachtige interventies.