Alles en iedereen zijn anekdote

Priesters maakten Robert Hughes wegwijs in literatuur, poëzie en abstracte schilderkunst

Robert Hughes: Things I Didn’t Know. A Memoir. Random House, 395 blz. € 28,–

Robert Hughes bewijst in Things I Didn’t Know dat je een autobiografie ook kunt schrijven door te vertellen over anderen. Door te schrijven over ontmoetingen en belevenissen met mensen die hem hebben gevormd, maakt hij toch een indringend zelfportret. Hughes (1938), kunstcriticus en schrijver van bestsellers over onder meer de geschiedenis van Australië (The Fatal Shore) en de moderne kunst (The Shock of the New), haalt herinneringen op aan zijn jeugd in een katholiek gezin in Australië en zijn jaren als twintiger in Italië en Londen. Het boek eindigt in 1970, als hij naar Amerika emigreert om voor het blad Time te gaan werken. Hughes zou een van de meest gezaghebbende kunstcritici van de twintigste eeuw worden, maar Things I didn’t know houdt op waar dat succesverhaal begint.

De titel suggereert al dat de schrijver, oud en wijs geworden, een stel levenslessen te boek heeft gesteld. Hij vertelt over de dingen die hij vroeger niet wist, maar die hij in de loop der jaren – en soms pas tijdens het schrijven van deze memoires – heeft geleerd. Ten minste zo belangrijk als die ‘dingen’ zijn de mensen van wie hij ze leerde. Zijn ouders, een paar paters op de kostschool, kunstenaars, collega’s: allemaal krijgen ze van Hughes de eer die ze toekomt. Hij maakt daarbij geen onderscheid tussen echte en papieren vrienden. Father Jones wordt gememoreerd omdat hij zijn leerlingen op een kostschool in Sydney attendeerde op moderne poëzie en abstracte schilderkunst; Father Wallace liet Hughes daar W.H. Auden en James Joyce lezen, zodat de ontluikende schrijver Hughes leerde dat ‘hoe groot de behoefte aan zelf-expressie ook is, een tekst nooit goed wordt zonder een precieze, weloverwogen vorm.’ De bevriende historicus Alan Moorehead bracht hem aan het verstand dat een schrijver uren moet maken – inspiratie of geen inspiratie.

Van dezelfde Moorehead kreeg Hughes in 1963 het belangrijke advies om Australië te verlaten. Als hij echt over kunst wilde schrijven, moest hij naar Europa. Australië had nauwelijks een kunstgeschiedenis. Hughes vertelt ook over schrijvers die hij alleen als lezer kende. Van Kenneth Clarks boeken leerde hij helder, jargonloos over kunst schrijven en Cyril Connolly bewonderde hij om zijn belezenheid en zijn zorgvuldige, kernachtige formuleringen. ‘Ik wilde niet schrijven zoals Connolly, ik wilde Connolly zijn.’

Eigenlijk maakt het niet zo gek veel uit, waarover een groot verteller als Hughes het heeft. Alles wordt bij hem een spannend verhaal. Hij herinnert zich gebeurtenissen uit zijn jeugd alsof ze gisteren plaats hadden en beschrijft zelfs de onbeduidendste incidenten meeslepend en levendig. Omdat hij zelf net zo direct en onderhoudend schrijft als Connolly of George Orwell, lees je ook met plezier over zijn bewondering voor hen. Hier vertelt een rasverteller hoe hij leerde vertellen.

Aan alles en iedereen in het boek hangt wel een mooie anekdote. Father Fraser, van wie de jonge Hughes Grieks en Latijn kreeg, was een rustige, erudiete man met grote didactische kwaliteiten, maar hij verloor één keer zijn zelfbeheersing. Op een ochtend in 1954 onderbrak hij zijn les omdat hij beneden in de schooltuin een koe zag grazen. Het dier stond precies in de rozen rondom een Christusbeeld, die Fraser met toewijding had geplant en verzorgd. De pater trok een pistool uit een bureaula en snelde naar beneden. De leerlingen keken toe hoe hij de koe twee keer kalm en duidelijk, maar zonder resultaat waarschuwde en haar toen door de kop schoot. ‘Het arme dier viel om en schopte nog een paar keer, daarbij de meeste overgebleven rozenstruiken verpletterend. Toen was het dood en schreed Father Fraser triomfantelijk, met het pistool onder zijn riem, terug naar het schoolgebouw .’

Dit lijkt een wel erg sterk verhaal, maar het past niet bij de openhartige, precieze Robert Hughes om zoiets te verzinnen. Het moet haast wel echt zo gegaan zijn. Hetzelfde geldt voor zijn belevenissen in Florence in de herfst van 1966. Hij ging daar als BBC-televisieverslaggever heen omdat de hele stad blank stond na een overstroming van de Arno. Hoewel de toegangswegen waren afgezet, wist Hughes’ filmploeg ’s nachts toch het verlaten stadscentrum binnen te komen. De electriciteit was uitgevallen, dus het was er stikdonker. Op straat lagen autowrakken en spullen uit winkeletalages. De schade aan beroemde oude gebouwen was enorm: het rivierwater had bijvoorbeeld veel wandschilderingen aangetast en de beroemde 15de-eeuwse panelen van Lorenzo Ghiberti uit de deuren van het baptisterium gebeukt. Hughes stond ernaar te kijken, ontzet als de deuren zelf, en zag toen de hoek van een bronzen plaat uit de modder steken. Met moeite trok hij een van de panelen te voorschijn. ‘Het was idioot, zoals ik daar in het donker met een van de meest gekoesterde meesterwerken uit de Florentijnse Renaissance in mijn armen stond.’

Deze ervaring leerde Hughes iets over de kwetsbaarheid van oude kunstwerken. Hij stond sindsdien nog sceptischer tegenover de opvatting van zogenaamd vernieuwende kunstenaars, dat al dat oude spul een blok aan het been van de toekomst was en daarom wel weg mocht. Later zou hij in Time met evenveel liefde over hedendaagse als over oude kunst schrijven.

Zulke verbanden kun je als lezer leggen, maar Hughes doet het zelf ook voortdurend. Hij heeft een wonderlijk overzicht over zijn eigen leven. Onder zijn handen wordt het een mooi gestructureerd verhaal, een vertelling waarin alles met alles samenhangt. Die vertelling begint met een hoofdstuk over het auto-ongeluk in Australië dat Hughes in 1999 bijna fataal werd. De pijnlijke ervaringen met de media en de rechtsgang na het ongeluk in zijn moederland, maakten dat hij zijn jeugd in kaart wilde brengen en nog eens wilde nagaan waarom hij ooit was geëmigreerd. Door de vele vooruitwijzingen in de rest van het boek word je nieuwsgierig naar wat er tussen 1970 en 1999 met hem is gebeurd, in New York en in de kunst. Nu maar hopen dat er voor het tweede deel van zijn memoires niet opnieuw een auto-ongeluk nodig is.