Alles ademt tegenwoordig spoed

Het 19de-eeuwse Nederland was geen natie met een slaapmuts op. Er heerste een grenzeloze daadkracht, die uitmondde in een infrastructuur van bijna alles.

Auke van der Woud: Een nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland . Bert Bakker, 464 blz. € 29,95

Vanaf ongeveer 1850 raakt ons voorheen ‘lege’ land overdekt met een netwerk van communicatielijnen. ‘Het groeide als kool’, zegt Auke van der Woud in Een nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland, een fascinerende studie over de aanleg van deze nieuwe infrastructuur.

Kool. Het lijkt een merkwaardige beeldspraak als je het over kadaster, waterstaat, zeedijken, ontginning van woeste gronden, zeehavens, staatsrecht en staatshuishouding hebt, of over de aanleg van spoor-, water-, en steenwegen, telegraaf- en telefoonlijnen. Maar gaande de lezing van Een nieuwe wereld blijkt in de harde wereld van stoom en ijzer een aantal ongrijpbare factoren mee te spelen, een extra dimensie zo te zeggen. Infrastructuur blijkt in aanleg en consequentie, eerder dan een ‘systeem’ dat van bovenaf kan worden opgelegd, een ‘organisme’. En dan blijkt de bloemkool plotseling een onvermoede beeldende kracht te bezitten.

Auke van der Woud is hoogleraar voor de geschiedenis van de bouwkunst. Hij publiceerde al in 1987 een studie over de ruimtelijke orde van Nederland in de eerste helft van de 19de eeuw, getiteld Het lege land. Ik vond het een meeslepend boek. Het zal aan de pen van Van der Woud hebben gelegen. Hij neemt de tijd voor zijn uiteenzettingen en overzichten, heeft oog voor detail en kleur, en blijft door zijn veelvuldig gebruik van contemporaine bronnen heel dicht bij de opvattingen en inzichten in de beschreven periode. Een woord als ‘systeem’ duikt nog niet vaak in zijn boek op. Daarvoor zijn de projecten (kanalen, steenwegen) nog te incidenteel. In ons land (door Van der Woud ‘een vaderlijke politiestaat’ genoemd) is het de Koning die de touwtjes in handen heeft, de wet kent vele belemmeringen, het ‘algemeen belang’ krijgt te weinig ruimte, en daarmee de groeikracht van een volwassen infrastructuur. Pas na het aantreden van Thorbecke in 1848 gaat de moestuinschuur van het slot. Zijn grondwetsherziening maakt de grond geschikt voor beplanting.

In het Nederland vóór 1848 was veel woest en onontgonnen (Drenthe, hele stukken Groningen en Overijssel), de kustverdediging werkte niet goed, zeehavens waren moeizaam bereikbaar, rivieren waren vrijwel onbeheersbaar, met vele overstromingen als gevolg. Het hart van Holland werd aangevreten door ‘waterwolf’ Haarlemmermeer. Er moest iets radicaals gebeuren, maar hoe pakte men dat aan?

Systematisch, besloot men. ‘Systeem’, ‘stelsel’, het zijn de toverwoorden van de tweede helft van de 19de eeuw. Al in eerdere studies over de 19de eeuw is dit benadrukt. Zo schreef Gerrit Komrij een baanbrekend essay over de 19de-eeuwse literatuur (‘Een zee van letters’, 2000) waarin hij onder meer wijst op de bandeloze catalogiseer- en inventariseerdrift in die tijd. Alles op een rijtje, in woordenboeken, beeldengalerijen, pantheons, bibliografieën, bibliografieën van bibliografieën. De enorme behoefte aan letters verklaart hij uit een angst voor de leegte, de chaos die dan meteen op de loer ligt roept weer de behoefte op alles in een systeem onder te brengen.

Een mooi voorbeeld is het decimale systeem van Dewey (1876), waarin de universele kennis in tien groepen met elk 100 nummers wordt onderverdeeld. Even rigide als het evenzeer in de 19de eeuw zo populair geworden keurslijf. Systeem in alles, tot en met de ontwikkeling van de mens, zoals Darwins Origin of Species (1859) aantoonde. Het is niet anders in de infrastructuur. Van der Woud schrijft in zijn voorwoord: ‘Opmerkelijk veel teksten over wetenschappelijke, technische, economische en zelfs staatkundige innovaties beschrijven deze als systeem of stelsel. […] Elke grote wetenschappelijke ontdekking bevestigde de idee dat de werkelijkheid een systematische orde had.’ Vanuit die gedachte ging men aan het werk, met steeds toenemende, wiskundige precisie. Cartografie, posterijen, spoorwegen, telegrafie, telefonie, wegen, kanalen (inclusief eeuwenoude, maar nu gestroomlijnde rivieren), elektriciteit, verharde wegen, uniformering van de kloktijd. Dit waren allemaal netwerken op zich, en samen vormen ze één groot netwerk. Een systematische beheersing van tijd en ruimte.

Dit klinkt allemaal nogal abstract, maar het mooie van Een nieuwe wereld is dat Van der Woud begint bij zeer praktische zaken. We vernemen uitgebreid hoe de verschillende onderdelen van de infrastructuur tot stand komen, tot en met details als (over het telegraafverkeer) ‘een gegalvaniseerde ijzerdraad type nummer acht, met een doorsnee van 4 millimeter’. Hij gedraagt zich daarbij als goed geïnformeerde tijdgenoot, een man die zijn bladen leest: de Economist, Eigen Haard, De Opmerker, de Natuur, de Stoompost, Tijdschrift voor Kadaster en Landmeetkunde, De Gids, Practische Volks-Amanak, Tijdschrift voor Staatshuishoudkunde en Statistiek, Vragen des Tijds, Bouwkundige Bijdragen, Landhuishoudelijke Courant, De Ingenieur, et cetera. Uit die baaierd aan algemene periodieken en vaktijdschriften diept Van der Woud verrassende en verrassend modern ogende citaten op, die alle feiten en cijfers naar een hoger plan tillen:

‘De maatschappij is een organisme, waarvan de deelen en leden met elkander een samenhangend geheel vormen. Zulk een organisme heeft zijn eigen bouw, zijne eigene ontwikkeling’ (1874)

‘Iedere spoorwegmaatschappij moet een organisme zijn, sterk genoeg om […] de behoeften van zoowel het internationale als van het locaal verkeer te kunnen bevredigen’ (1882)

‘Londen is om zoo te zeggen met een spinnenweb van [telegraaf]draden overdekt’ (1882).

Systeem, organisme, wat is het nou? Opvallend is dat de macht over het systeem gaandeweg door het systeem zelf wordt overgenomen, het wordt een organisme dat op eigen kracht groeit en niet langer helemaal beheersbaar is. Zo denkt de regering van Vlissingen de voornaamste zeehaven te maken – het blijkt niet in het stelsel te passen en Rotterdam boomt. Dan maar systematisch op die stad gefocust? Amsterdam blijkt (deels op emotionele gronden, maar ook die tellen mee) onuitroeibaar als havenstad, de haven van Harlingen komt weer niet van de grond. Door telegraaf en (later) telefoon kan een beetje handelaar zich niet langer de posterijen als communicatiemiddel veroorloven: het systeem neemt het over. Het ene systeem maakt daarbij het andere stelsel noodzakelijk: het spoorwegnet brengt centrale tijdmeting met zich mee (overstaptijden), water- en landwegen sluiten aan op spoorwegen, om dat goed te kunnen doen is een cartografisch stelsel nodig, en zo voort, en zo verder.

Er zit zeker ook een aspect van zelfvermenigvuldiging in, zowel qua vorm van het netwerk als in de snelheid waarmee het tot stand komt. Als het eerste stuk van een steenweg gelegd is, kan het materiaal voor het volgende traject sneller worden aangevoerd. En is de steenweg eenmaal gereed, dan duikt een uitvinding als fiets of automobiel op – die op zand- of modderwegen zouden vastlopen. De schaalvergroting is daarbij enorm. De vooruitgang is niet langer voorbehouden aan de elite, zij democratiseert: communicatie wordt massacommunicatie.

Je krijgt er opnieuw het beeld bij van een reusachtige bloemkool: elk roosje het evenbeeld van de hele struik. Alles in alles zou Multatuli zeggen. De bloemkool groeit echter niet overal even hard. Meer dan eens stipuleert Van der Woud dat de netwerken zich niet regelmatig gedragen. Op plaatsen met veel activiteit vermenigvuldigen ze zich veel sneller. Zo kan het gebeuren dat al aan het einde van de 19de eeuw zich de contouren aftekenen van wat we tegenwoordig ‘Randstad’ noemen, de rest van Nederland wordt achterland. Het valt te betwijfelen of dat was voorzien, bij voorbeeld door iemand als de uit Zwolle afkomstige Thorbecke. Ik noemde emotionele gronden in verband met Amsterdamse ambities zich te handhaven als havenstad. In de deels zichzelf genererende netwerken blijken inderdaad subjectieve, irrationele factoren mee te spelen, bij voorbeeld het hardnekkige verzet van de eeuwenoude waterschappen tegen het systematisch hervormen van de Waterstaat. Je ziet als het ware de emotionele strijd tussen Ajax en Feyenoord ontstaan, de eerste verongelijkte trekken in de noordelijke provincies worden zichtbaar.

Vaak is het 19de-eeuwse Nederland beschreven als een natie met de slaapmuts op. Bij Auke van der Woud vinden we een ander beeld. De tweede helft van de 19de eeuw in Nederland wordt gedreven door grenzeloos optimisme, idealisme en daadkracht. De wereld lijkt maakbaar, handen uit de mouwen. Die drive levert inderdaad een nieuwe wereld op, die steeds naar een hogere versnelling schakelt. Nederland wordt een web, en verbindt zich met het web van de wereld. Dat zijn de feiten. Een nieuwe wereld is echter geschreven vanuit de idee dat de werkelijkheid onze subjectieve constructie is. Of om uit Van der Wouds Schopenhauer-motto te citeren: ‘Ruimte en tijd zijn alleen maar vormen van onze manier van beschouwen’.

Veranderingen in de werkelijkheid brengen immers niet alleen praktisch nut, ze veranderen óók het gevoel (‘Alles ademt tegenwoordig spoed en bespoediging’, 1847). En ze scheppen nieuwe behoeften. De mogelijkheid van een dagje uit de natuur in (trein, tram, fiets, steenwegen) maakt dat mensen dat ook inderdaad massaal willen. De dagjestoerist voelt de natuur daarbij anders aan dan de boer die er woont:

‘Een weistrook hier, een gelend korenland daar; als achtergrond het omheinend hakhoutriggeltje. Daarnaast is er een plukje boomen tot schaduwgroepje bedacht, in de wei zijn wat koeien tot grazen neergezet. Groen is de geheele schouwburg.’ (1900)

Cruciale woorden. Door alle wilsinspanningen, om op Schopenhauer te variëren, is de wereld een voorstelling geworden. In dit verband is Van der Wouds typering van de Eiffeltoren treffend. In plaats van als toonbeeld van civieltechnische verworvenheden ziet hij het als ‘een gigantische machine, met als enige functie de massaproductie van de sensaties uit het hooggebergte.’

Als dat geen virtuele werkelijkheid is. Van der Woud gebruikt deze term zelf in verband met de telefoon: ‘De stem van een ander, iemand aan de andere kant van de stad of aan de andere kant van de aardbol, maar altijd heel dichtbij en intiem – haast in het hoofd, in het hart van de luisteraar. Echt contact.’

Hier zijn we de in de tweede helft van de 19de eeuw zo populair geworden cultuur van (zakelijk) succes en praktisch nut definitief voorbij. Is de gesystematiseerde werkelijkheid eigenlijk nog grijpbaar, begrijpelijk? Als De Opmerker in 1880 het aantal moleculen in een ‘vacuüm’ gepompte bol begroot op 1000000.000000.000000. 000000.0000000.000000.000000 verzucht de dienstdoende redacteur: ‘Deze cijfers gaan onze verbeeldingskracht te boven en zijn niet meer menschelijk.’

De 19de-eeuwse poging uitzonderingen en uitwassen met de ‘norm’ te bestrijden, chaos met systeem, heeft weliswaar veel opgeleverd, maar niet slechts positief. ‘Mensen creëerden een opzienbarende macht over tijd en ruimte,’ zegt Van der Woud, ‘maar tegelijkertijd groeide hun afhankelijkheid van de machtige stelsels die ze schiepen.’ Wat te doen bij die doorwoekerende overmacht? Er zat weinig anders op dan maar een andere, eigen wereld te scheppen, een voorstelling dus. Misschien zou je kunnen zeggen dat er een rode lijn loopt van Vondels ‘De wereld is een schouwtoneel’ via de 19de eeuw naar Big Brother, waar de normale mens als schouwtoneelacteur functioneert. Ik weet het niet. Maar het is wel een mooi voorbeeld van het effect dat een meesterlijk boek als Een nieuwe wereld van Auke van der Woud genereert: je kijkt in de geschiedenis, maar je ziet je zelf. Gevangen in een bloemkool.