Voorspelde winst hielp SP

De drie grote opiniepeilers zaten er „weer behoorlijk naast”. Het probleem: opiniepeilers hebben geen beeld van mensen die weigeren aan hun onderzoeken mee te doen.

Den Haag, 23 nov. - Een dag na de verkiezingen blijkt dat de opiniepeilers „er weer behoorlijk naast zaten”, zegt Jan Kleinnijenhuis, hoogleraar communicatiewetenschap aan de Vrije Universiteit. „Een verschil van zestien zetels bij degene die het het beste heeft gedaan, de politieke barometer. Dat vind ik veel.”

Met 25 miljoen internet-enquêtes per jaar is Nederland waarschijnlijk het grootste online-enquêteland ter wereld. En bij verkiezingen zijn digitale enquêtes zelfs bepálend, zegt Kleinnijenhuis. Dat wil zeggen: „Niet de opiniepeilingen zélf, maar het nieuws dat er mee wordt gemaakt.” Wie in de peilingen wint of verliest, wordt belangrijker nieuws dan de inhoudelijke verschillen tussen de partijen.

Het wordt steeds moeilijker om alle Nederlanders in een steekproef te krijgen, constateert Kleijnnijenhuis. Volgens hem slagen de opiniepeilers er niet in om een goed beeld te krijgen van mensen die weigeren aan een onderzoek deel te nemen. „En deze groep – het aantal weigeraars – neemt toe. Dat komt omdat er zo waanzinnig veel enquêtes zijn.”

De drie marktonderzoekbureaus – Interview-NSS, Maurice de Hond, TNS NIPO – werken met grote bestanden waaruit ze hun steekproef halen. Veel mensen hebben zich hiervoor zelf opgegeven. „Het is een publiek geheim dat linkse stemmers relatief oververtegenwoordigd zijn in deze bestanden”, zegt Kleijnnijenhuis. „En dat blijkt waar te zijn als je kijkt naar prognoses en uitslag.”

Ook de winst van Partij van de Vrijheid van Geert Wilders heeft de opiniepeilers verrast. „Dat komt omdat er een verschil is tussen een politiek correct antwoord en de anonieme discretie van het stemhokje.”

De invloed van opiniepeilers is te groot, vindt ook Joop van Holsteyn, bijzonder hoogleraar kiezersonderzoek aan de Universiteit van Leiden.

Een voorbeeld? De positie van André Rouvoet van de ChristenUnie. Hij was de afgelopen weken een veel gevraagd politicus in de media, omdat zijn partij in de peilingen op zes zetels stond – en mogelijk een rol zou spelen bij coalitie-onderhandelingen. Van Holsteyn: „Het gesprek met hem ging dus over de peilingen en over de coalities die mogelijk zouden zijn op basis van die peilingen. Inhoud kwam nauwelijks ter sprake.”

Tijdens een verkiezingscampagne neemt ruim negentig procent van de kiezers kennis van de peilingen. In hoeverre laten ze zich hierdoor beïnvloeden?

Uit recent onderzoek van TNS NIPO in opdracht van RTL Nieuws blijkt dat de keuze voor een politieke partij vooral wordt bepaald door het partijprogramma (40 procent), ideologie (37 procent) en door het gegeven dat de partij opkomt voor de groep waartoe de kiezer behoort (29 procent). De lijsttrekker (28 procent) komt op een vierde plaats. In het onderzoek konden de ondervraagden meer dan één antwoord geven, de antwoorden tellen op tot 241 procent.

Volgens politieke wetenschappers laat maar een klein deel van de kiezers – exacte cijfers zijn niet bekend – zich volledig door peilingen leiden. Maar er zijn wel effecten die iederéén beïnvloeden.

Zo’n fenomeen is bijvoorbeeld dat kiezers graag op een winnaar stemmen, het zogeheten bandwagon-effect. Als een partij het goed doet in de peilingen, sluiten zich prompt veel anderen bij die partij aan. Uit het TNS NIPO onderzoek blijkt dat dit voor vijf procent geldt. „Voor de SP geldt dit effect”, vindt Kleinnijenhuis.

En er is het underdog-effect. De kiezer redeneert bijvoorbeeld: ‘D66 staat nu zó slecht in de peilingen, ik wil dat die partij blijft bestaan, dus ik ga er op stemmen.’ Dit effect is kleiner dan het bandwagon-effect. Eén procent laat zich door dit motief leiden. „Dit effect kan hebben meegespeeld bij D66, in de peilingen stonden ze immers vaak op nul zetels”, aldus Kleinnijenhuis.

De invloed van peilingen mag duidelijk zijn, intussen bestaat er wel veel kritiek op de methode van peilen. „Als gebruik wordt gemaakt van een internetpanel, en als dat panel tot stand is gekomen door vrijwillige aanmelding van deelnemers, is er geen sprake van een aselecte steekproef”, zegt Joop van Holsteyn. Mensen zonder internetaansluiting zijn op voorhand uitgesloten, bijvoorbeeld, en mensen die geen zin hebben zich te melden blijven buiten beeld.

„Dat maakt de steekproef niet aselect. Het is wetenschappelijk onverantwoord om uitspraken te generaliseren naar de populatie”, vindt Van Holsteyn. En dan „is het etiket ‘representatief’ een vlag op een stinkende modderschuit”.