Tennissen als in het land niet te vreten is?

Stanley Franker remigreerde naar Suriname.

Topsport bestaat niet in het land, stelt de tenniscoach.

Stanley Franker wil het niet mooier maken dan het is. Daar is hij de man niet naar. „Topsport in Suriname bestaat niet. Sport is hier recreatie. Als Surinamers sporten, spelen ze, zoals ik als kind speelde: zuiver om het esthetische. Als je als voetballer vier man omspeelde en de bal kwijtraakte, kreeg je toch een staande ovatie. Dat hebben de Surinaamse voetballers in Nederland snel afgeleerd, want anders mochten ze niet meer meedoen.”

Een schaterlach klinkt. Stanley Franker zullen ze niet zien bij de klassieker tussen de oude rivalen Robinhood en Transvaal. „Je ziet op televisie alles live, Spaans voetbal, de eredivisie, Brazilië. Dat is killing. Dan ga ik niet hier kijken naar dat gefrommel.”

Stanley Franker (61), de man die als bondscoach (1986-1998) de ‘gouden generatie’ van Krajicek, Haarhuis, Eltingh en Siemerink naar de wereldtop leidde, keerde anderhalf jaar geleden terug in Suriname. „Ik wilde al eerder terug, maar ik zat in de verkeerde branche: topsport. Daarvoor ontbreken in een derdewereldland de middelen, tenzij het politiek wordt gefinancierd.”

Of door het bedrijfsleven. Franker, die werkt voor de handelsonderneming van zijn schoonvader, weet er alles van. Onlangs werd hij benaderd door de voorzitter van Transvaal, ooit een machtig voetbalbolwerk in de Caraïbische zone. „Of ik interesse had in sponsoring. Ik zei: dan moet ik eerst signalen krijgen dat het professioneler wordt. Dat er geen gezeik meer is over spelers die niet willen trainen, dat er geen bondcoach meer wordt ontslagen omdat hij ongedisciplineerde spelers uit de selectie zet.”

Bij toeval belandde Franker als jongen in de jaren vijftig in de tenniswereld. Het gezin woonde destijds in Paramaribo naast tennisclub ‘Ready’, met één baan. „Anders was ik nooit gaan tennissen.” Zijn eerste racket, gesneden uit een stuk hout, kreeg hij van zijn vader, een meubelmaker.

In 1966 trok hij naar Nederland, zoals talloze jongeren deden. „Je ging je specialiseren in Nederland, dan zou je teruggaan. Niet om het land te helpen opbouwen, gewoon, om een eigen bestaan op te bouwen. Laat niemand je voor de gek houden. Je hebt een gezin, de kinderen moeten studeren. We zijn mensen.”

Franker bleef zich Surinamer voelen, al is hij formeel Nederlander. „Het is je gran familia. Ik ben altijd trots geweest op Suriname. Ik heb hier een fantastische jeugd gehad, altijd buiten, in een veilige maatschappij.” Nu wordt hij ’s ochtends wakker in een derdewereldland – maar een „zalig” land. „Ik noem het een emerging market. Suriname is een Ferrari op de parkeerplaats zonder benzine. De bodemschatten zijn er, verder moet je alles importeren. Suriname is heel klein met nog geen half miljoen inwoners. Het duurt even.”

Af en toe tennist hij. En Franker adviseert de tennisbond. Onbezoldigd, want geen enkele Surinaamse bond heeft geld. Maar een paar weken geleden begonnen zijn handen te jeuken toen hij tennisles gaf aan het Nederlandse ambassadepersoneel.

Het blíjft Stanley Franker. Hij heeft al een tijdje een gewaagd plan in zijn hoofd: een Challenger-toernooi voor jonge proftennissers in zijn geboortestad. Al kent hij de hindernissen. „Om eens iets te noemen: Suriname heeft nog niet eenderde van de benodigde lijnrechters. Die moet je opleiden voor één toernooi per jaar. Dan wordt die bal zó hard geslagen, dat hebben ze nog nooit van hun leven gezien. Vervolgens moeten ze zich laten uitkafferen door zo’n tennisser. Weet je wat er dan gebeurt? Zo’n lijnrechter gaat gewoon weg. Die laat zich echt niet beledigen.” Franker lacht om zijn eigen scenario. Maar het laat hem niet los. „Men zou het prachtig vinden, de Suriname Open.”

Een ander probleem is van morele aard. „Het bezwaart mij om honderdduizend dollar te spenderen aan een tennistoernooi, terwijl de mensen niet te vreten hebben. Ik kwam ooit met [ex-tennisser] Paul Dogger aan in New Delhi. Toen hij de armoede zag zei hij: ‘getver, dat ze hier tennistoernooien organiseren!’ Goed dat zo’n jongen daar oog voor heeft.”

Toch heeft Franker hoop voor Suriname, de bakermat van zóveel sporttalent. „Je kunt hier de basis leggen voor topsport. Je kunt hier talenten scouten en opleiden. Daarna moeten ze tegen wereldtoppers spelen. Waar haal je die vandaan? Met een sponsor heb ik binnen vijf jaar een groep tennissers. Maar dan zijn ze weg. Dat is een fact of life. Daar moet je niet te emotioneel over doen.” Overigens waren ook ‘zijn’ Nederlandse tennissers voortdurend onderweg. „Maar je hebt veel toernooien in Europa, ze kunnen zo naar Nederland. Suriname ligt zó geïsoleerd. Je kunt alleen naar Amsterdam vliegen, of Trinidad. Dan moet je midden in de nacht naar Zanderij, áls het vliegtuig al vertrekt. Dat werkt niet als je ergens moet spelen.”

Dit is het tweede deel in een serie over sport in Suriname. Het eerste deel verscheen vrijdag 17 november.