Roots pulseren in deinend hiphopbacchanaal

Concert: The Roots. Gehoord: 22/11 Paradiso, Amsterdam. Herhaling: 23/11 idem.

Geen betere manier om verkiezingsstress van je af te schudden dan een concert van The Roots. Deze Amerikaanse hiphop-band heeft in zijn eentje de reputatie van hiphoppers als stonede, gemakzuchtige live-uitvoerders weten te ontkrachten. Rapper Black Thought en zijn vijf muzikanten spelen steevast twee uur, met de nadruk op spelen. Want hier gebeurt alles live: van de spetterende funkdrum van ?uestlove tot de rockriffs van gitarist Capt Kirk.

Bij aanvang, in het donker, terwijl ?uestlove met mijnwerkerslamp op het hoofd de zaal beschijnt en een aanzwellende drumpartij speelt, verovert Black Thought het publiek met één ademloze vocale solo, die pulseert en roffelt alsof ook hij een drummer is. Daarna wordt de muziek voller, de basnaren zoemen duister, de percussie ritselt en daar is Capt Kirk met zijn raspende rockgitaar. Het is een deinend hiphopbacchanaal, waarin de instrumentaties toch transparant blijven: allemaal samen als een gebalde vuist, dan weer losser en collage-achtig. Na vijftien jaar samenspelen gaat het een naadloos over in het ander. Er zijn veel nummers van de laatste cd, Game Theory. Hallucinerende liedjes als In The Music en Don’t Feel Right.

En inderdaad, langzamerhand verandert de balans: Capt Kirk grijpt de macht met massieve riffs, en tegen het eind van het optreden lijkt het alsof we kijken naar een Amerikaanse rockband met rappende zanger. Een goed geoefende band, dat wel, maar ook een die iets te graag soleert. Eindeloos duurt het percussie-duel tussen ?uestlove en assistent Kamal, en ook de jukebox-achtige toegift, een medley van onder meer Shake, Rattle & Roll, I Got A Woman en I Need Love, is meer vertoon dan verleiding. The Roots dreigt boven zichzelf uit te groeien.