Provincie heeft de stad verslagen

Voor kosmopolieten en voor wie begrip heeft voor politiek en politici en hun worsteling om het vertrouwen van de burgers, is de uitslag deprimerend, vindt J.Th.J. van den Berg.

Een Amerikaanse theorie over verkiezingen zegt dat als de zittende regering wordt geholpen met sterke economische rugwind, zij de verkiezingen praktisch altijd wint en dat er voor de oppositie geen doorkomen aan is. In Nederland staan alle relevante economische indicatoren op ‘positief’: zowel groei, als inflatie, als inkomensontwikkeling en werkgelegenheid. De coalitie van CDA en VVD zou dus een glanzende overwinning hebben moeten behalen.

Om eerlijk te zijn: ik ben daar ook steeds van uitgegaan, al waren de opiniepeilingen mij niet behulpzaam. Maar dat zijn ze wel vaker niet. Die te verwachten overwinning is uitgebleven. Sterker nog, de partijen die het meest vielen te identificeren met het economisch herstel – de VVD van Zalm en het D66 van Brinkhorst – leden de zwaarste verliezen. Het CDA kwam er, waarschijnlijk dankzij premierbonus en technisch competente campagne, nog het best vanaf. In totaal verloor de in 2003 samengestelde coalitie twaalf zetels. Zelfs in een zo volatiel stemmend land als Nederland moet dat voor vooral CDA en VVD een lelijke teleurstelling zijn geweest.

Belangrijker is: waarom weet een coalitie met zoveel wind mee niettemin zo te verliezen?

Om te beginnen, sinds de jaren negentig is er een steeds dikkere deken van ongearticuleerd politiek wantrouwen komen te liggen over de Nederlandse politieke verhoudingen. De grote, gevestigde partijen, CDA, PvdA en VVD, hebben daar sterk onder te lijden en staan tegenover telkens nieuwe en geduchte uitdagers, die zich tegelijkertijd manifesteren als buitenstaanders. Nu zijn dat de SP, de Partij voor de Vrijheid (Wilders) en de Partij voor de Dieren, die in totaal 37 zetels hebben behaald – ongeveer evenveel als de Lijst Fortuyn en de SP samen in 2002. Alleen het zwaartepunt verplaatste zich van ‘rechts’ naar ‘links’.

Het is voorts niet alleen de economie die blijkbaar telt. De politieke verhoudingen zijn meerdimensionaal. Behalve de sociaaleconomische links-rechts-verdeling is er de spanning tussen progressief en conservatief in kwesties van immateriële aard. En er is de, lang verborgen gebleven, derde dimensie – die tussen grootstedelijk en kosmopolitisch tegenover dorps en provinciaal. Of neutraler geformuleerd: tussen extravert en introvert. Iedere verkiezing laat zich ten slotte – maar dat is meer een kwestie van conjunctuur – uitleggen in termen van centrifugaal en centripetaal.

Nadat iedereen zich in 2002 een hoedje was geschrokken van de opkomst van Fortuyn, was in 2003 weer de centripetale beweging te zien van extreem naar gematigd. Gisteren ging de centrifuge weer tekeer. Het CDA (-3) verloor aan de ChristenUnie (+3), de VVD (-6) verloor ten gunste van Wilders (+9) en de Partij van de Arbeid (-10) ten gunste van de SP (+17). Ook aan dit soort voortdurend tegengestelde bewegingen in het electoraat is te zien hoe onrustig (of hysterisch?) en wantrouwend de Nederlandse kiezers zijn geworden.

Daarnaast valt op dat ‘rechts’ daalde van 91 naar 83 zetels en ‘links’ (waarbij ik PvdA, GroenLinks, SP en Partij voor de Dieren reken) steeg van 59 naar 67 zetels. De zwaarste kritiek op kabinet en coalitie richtte zich in de campagne op het te weinig sociale beleid van de kabinetten onder Balkenende. Die kritiek heeft ontegenzeglijk onder de kiezers weerklank gevonden, maar de daaruit voortgekomen verschuivingen zijn per saldo slechts van beperkte betekenis geweest. De ‘rechtse’ partijen (CDA, VVD, D66, CU, SGP, Wilders c.s.) verloren samen acht zetels, meer niet.

Tegenover de aloude spanning tussen sociaal-economisch links en rechts is er ook die tussen progressief en conservatief. Daarin spelen vragen van meer immateriële aard de hoofdrol, zoals ethische kwesties, maar ook cultuurpolitiek en vragen van kwaliteit rond maatschappelijke voorzieningen. Partijen zijn daar moeilijker in te delen, omdat de tegenstellingen vaak dwars door de partijen heenlopen. Ik laat die hier dus onbesproken.

Nederland kent vanouds de tegenstelling tussen enerzijds stedelijk, kosmopolitisch, naar buiten gericht en gelovend in vooruitgang (en bijbehorende ‘maakbaarheid’) en anderzijds provinciaals, naar binnen gericht en sceptisch tegenover vooruitgang anderzijds. (Deze spanning wordt vaak betiteld als ‘de Randstad tegen de buitengewesten’, maar dat doet de zaak geen recht.)

Deze tegenstelling is, voor velen onverwacht, zichtbaar geworden tijdens het referendum over het Europese Grondwetsverdrag, waar de introverte stroming het met glans won van het kosmopolitische deel van de bevolking. Maar ook het populisme, of dat nu van Fortuyn komt of van Marijnissen, werd en wordt gekenmerkt door de gerichtheid naar binnen en een zekere weerzin tegen de boze buitenwereld. Niet toevallig was Pim Fortuyn en is Jan Marijnissen tegen systematische Europese integratie en tegen VN-expedities naar andere delen van de wereld.

Met indelen is het ook hier oppassen geblazen, vooral omdat in een groot aantal partijen innerlijk verdeeld zijn als het over deze dimensie van de politiek gaat.

Partijen kunnen voorts wel vóór VN-interventies zijn en tegelijk tamelijk eurosceptisch. Zij kunnen strikt zijn als het gaat om immigratie en tegelijk royaal als het gaat om inburgering.

Wat deze verkiezingen hebben laten zien, is dat partijen daarin maar het best uitgesproken keuzes kunnen maken. Het is namelijk niet gezegd dat kiezen voor kosmopolitisme per definitie tot dramatisch verlies leidt en – zoals bij het Europese referendum – alleen provincialisme grote winst brengt. Meer precies: natuurlijk hebben de redelijk introverte stromingen, zoals die van CDA, SP en CU maar ook de Partij voor de Vrijheid, deze verkiezingen standgehouden of zelfs sterk gewonnen, evenals in 2002 en bij het referendum in 2005. Maar GroenLinks, dat het meest aan de kosmopolitische kant staat, heeft nauwelijks verloren. De zwaarste verliezen waren voor de partijen die over hun positie op dit punt onduidelijkheid hebben geschapen: VVD en PvdA.

De VVD was uitgerekend op deze dimensie tot op het bot verdeeld, wat werd gesymboliseerd door de ‘beide lijsttrekkers’, Mark Rutte (extravert gelovige in vooruitgang) en Verdonk (integratie beschouwend als aanpassing). De PvdA gaat graag door voor open en royaal (Europa, generaal pardon) maar tegelijk heeft zij nooit radicaal afstand willen nemen van Verdonks integratiepolitiek. Op welke Partij van de Arbeid moest er worden gestemd en op welke VVD? Zo kon per saldo de meer uitgesproken binnenwaarts gerichte hoofdstroom met een winst van 14 zetels triomferen over de meer urbane of zwaar verdeelde stroming van PvdA, VVD, D66 en GroenLinks.

De minister-president had wel gelijk: dit is een uiterst gecompliceerde verkiezingsuitslag. Voor kosmopolieten in ons land, maar ook voor wie begrip heeft voor politiek en politici en hun worsteling om het vertrouwen van de burgerij, is het een deprimerende uitslag. De kans dat een nieuwe Tweede Kamer zelf in staat zal zijn, zoals de Nationale Conventie zo graag wilde, een informateur aan te wijzen, lijkt mij nihil. Lichtelijk gegeneerd zullen wij aan een ervaren koningin moeten vragen, of zij maar weer het initiatief wil nemen en namens ons wil letten op nette democratische manieren bij de formatie van een nieuw kabinet. Soms zou je de koningin een ander volk toewensen.

Dr. J.Th.J. van den Berg is emeritus hoogleraar parlementaire geschiedenis in Leiden en hoogleraar parlementair stelsel in Maastricht.