Prijs voor enthousiast astronoom

Einstein en Lorentz kregen hem, en nu astronoom Ed van den Heuvel: de zelden uitgereikte penning van het Genootschap ter bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde.

Als er een astronomiecongres is en iedereen heeft zijn zegje gedaan, dán draaien de hoofden naar Ed van den Heuvel. Wat vindt hij ervan? „Zo belangrijk is Ed van den Heuvel”, zegt André Schram, voorzitter van het Genootschap ter bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde. Dit Amsterdamse gezelschap werd al in 1790 opgericht door heelmeester Andreas Bonn. Morgen reikt het zijn genootschapsmedaille uit aan astronoom Van den Heuvel. De laatste keer dat deze penning werd toegekend was in 1990, aan biochemicus Piet Borst.

Beroemd onder vakgenoten is Van den Heuvels verklaring, uit 1972, voor het ontstaan van zogeheten röntgendubbelsterren. Maar hij krijgt de prijs ook omdat hij al een leven lang ‘zijn liefde voor de sterren’ overdraagt in publiekslezingen en als mede-oprichter van het Artis Planetarium. En omdat hij het sterrenkundig instituut in Amsterdam, het Anton Pannekoekinstituut, groot gemaakt heeft als directeur (31 jaar lang). „Och, dat ging eigenlijk vanzelf”, zegt Van den Heuvel er zelf over.

Anton Pannekoek (1873-1960), naar wie uw instituut is vernoemd, heeft deze prijs nooit gekregen…

Van den Heuvel: „Nee maar heb je gezien wie hem in zijn tijd wel kregen? Einstein, Lorentz, Van der Waals, Kamerlingh Onnes. Daar viel niet mee te concurreren. Ik was dus ook zeer vereerd dat-ie mij ten deel is gevallen.”

Hoe is het Pannekoekinstituut zo’n succes geworden?

„Wat moet ik daar op zeggen… Er lag geen planning aan ten grondslag. Ik had het geluk dat er in Amsterdam al een paar hele goede mensen zaten toen ik daar aankwam. Jan van Paradijs [de jong overleden grondlegger van het onderzoek aan zogeheten gammaflitsen, MvdH] was er promovendus. Verder hebben NWO en de universiteit mij van het begin af steun gegeven voor nieuwe promotieplaatsen. Eigenlijk zonder dat je het in de gaten hebt, ontstaat dan een instituut.

„Voor ik naar Amsterdam kwam, had ik natuurlijk mijn werk aan röntgendubbelsterren, met John Heise uit Utrecht, al in Nature gepubliceerd. Dan word je plotseling overal uitgenodigd – ook om een tijdje te komen werken op het Institute for Advanced Study in Princeton. Zo krijg je contacten. Als je dan later zelf promovendi onder je hoede hebt, dan stuur je die ook eens naar Harvard of MIT. ”

Zonder borstklopperij mogen Nederlanders zeggen dat ‘hun’ sterrenkunde internationaal prestige heeft. Hoe komt dat?

„Door schoolvorming. Ook in de natuurkunde zie je dat: een traditie die begon in de ‘tweede gouden eeuw’ – zo’n honderd jaar geleden – met Nobelprijswinnaars als Van der Waals, Zeeman, Kamerlingh Onnes. Zij leidden zelf ook weer mensen van hoog kaliber op. In de sterrenkunde had je rond die tijd Kapteyn die De Sitter en Oort opleidde. En op het gebied van de astrofysica – meer mijn gebied – had je Pannekoek en Minnaert. Schoolvorming is ontzettend belangrijk in de wetenschap. En de Nederlandse astronomie heeft veel te danken aan de hoge kwaliteit die het wiskunde- en natuurkundeonderwijs altijd had. Zonder die vakken kom je als astronoom niet ver. „Natuurlijk is enthousiast zijn ook belangrijk. Mijn leermeesters in Utrecht, de astrofysici Marcel Minnaert en Cees de Jager, waren dat allebei. ”