Kiezer wil kleur en krijgt kleurloos kabinet

De VVD en de PvdA hebben vooral verloren doordat zij niet duidelijk waren. De kiezer week uit naar de fellere flanken. Met een grijs kabinet als gevolg, betoogt Patrick van Schie.

Déjà vu. Het CDA net als in mei 2002 uit de bus als ruimweg de grootste partij; rake klappen voor PvdA en VVD; en forse winst voor de ‘partij van het protest’, destijds in de gedaante van de LPF, ditmaal verdeeld over de SP en de partij van Wilders. Maar de verliezen van PvdA en VVD werden in 2002 aan hun kleffe onderlinge verhouding in het vermaledijde tweede Paarse kabinet toegeschreven. Hoe kan het dat deze twee partijen opnieuw verliezen hebben moeten incasseren, nu zij onverzoenlijk tegenover elkaar stonden?

De verklaring moet worden gezocht in hun inhoudelijke profilering, of exacter: in hun onvermogen duidelijk aan te geven waarin zij zich van de concurrentie onderscheiden. Het CDA was eveneens kleurloos – zijn leider Balkenende debiteerde tijdens de campagne vaagheden en gemeenplaatsen – maar die partij wist met de premierbonus het verlies nog beperkt te houden. Niettemin laat de verdubbeling van de ChristenUnie zien dat ook het CDA kwetsbaar staat tegenover een partij die zich scherper weet te profileren.

De grootste verliezer van gisteren, de PvdA die 10 zetels kwijtraakte, is al sinds de jaren tachtig in verwarring over haar koers. Na de dreun die in 2002 door de kiezers aan de PvdA was uitgedeeld, leek de partij de goede weg in te slaan door een beginselprogram aan te nemen waarin de gelijkheidsmantra werd gerelativeerd met passages van waarderende woorden voor vrijheid en marktwerking.

Maar in zijn oppositie tegen het beleid van de kabinetten-Balkenende zag Wouter Bos een belangrijke les van zijn Britse geestverwant Tony Blair over het hoofd: lever niet alleen kritiek, maar neem ook goede elementen uit de politiek van je tegenstander over. In plaats van Blairs hervormingskoers na te volgen keerde Bos halverwege om.

Extra zwabberende bewegingen tijdens de campagne (de ouderenbelasting voor de AOW, wisselende uitspraken over zijn coalitievoorkeur) onderstreepten nog eens dat Wouter níét wist wat hij wil. Als er werkelijk zo weinig deugde van wat de kabinetten-Balkenende hebben gedaan, zoals Bos steeds nadrukkelijker beweerde, was het logisch dat de linkse kiezer zijn heil zocht bij de partij die van ongenuanceerde kritiek op rechts haar handelsmerk heeft gemaakt: de SP.

De VVD ging de verkiezingen in met een program dat voor de kiezers maar moeizaam als liberaal herkenbaar was. Prominent in het verkiezingsprogram stond de ‘gratis’ kinderopvang voor werkende en ondernemende ouders, een punt dat in het program van een socialistische partij zeer op zijn plaats zou zijn (en dat dan ook in een of andere vorm door de linkse partijen werd omarmd).

Met betrekking bijvoorbeeld tot de integratie van nieuwkomers wees het VVD-program wel op het succes van het beleid van Rita Verdonk, maar het voegde er voor de toekomst weinig aan toe. Het geven van absolute voorrang aan het non-discriminatiebeginsel uit art. 1 van de Grondwet, ook in de horizontale werking tussen burgers onderling, oogde oppervlakkig misschien sympathiek, maar komt bij enig doordenken neer op de boodschap dat de VVD, als het erop aankomt, de vrijheid van meningsuiting niet het hoogst in haar vaandel zal hijsen. Een onwenselijk signaal aan nieuwkomers over onze rechtsstaat, en bovendien een liberale partij onwaardig.

Verkiezingsprogramma’s worden amper gelezen. Maar met hulpmiddelen voor de zwevende kiezers als de Stemwijzer en het Kieskompas speelt hun inhoud indirect een grotere rol dan voorheen. Van alle door de Stemwijzer verstrekte adviezen ging slechts 3,5 procent naar de VVD. Als van de meer dan 4,7 miljoen kiezers die de Stemwijzer hebben ingevuld, inderdaad eenderde zich door het advies liet leiden, heeft de VVD van de ongeveer 25 aldus te verkrijgen zetels er hooguit één binnen weten te slepen. Veel meer mensen kregen het advies om op een van de concurrenten ter rechterzijde te stemmen. Welke waarde men verder ook precies aan Stemwijzer en Kieskompas wil toekennen, als vrijwel niemand langs die weg het advies krijgt VVD te stemmen, moet dat toch te denken geven. In ieder geval is het VVD-programma dan te bleek.

Terwijl de VVD in de peilingen wegzakte, beklaagde Mark Rutte zich drie weken voor de dag des oordeels hoe moeilijk het was om als (op dat moment nog) ‘derde partij’ tussenbeide te komen in het tweegevecht van de grote partijen CDA en PvdA. Daar had noch Hans Wiegel noch Frits Bolkestein ooit moeite mee toen zij optraden als lijsttrekker van diezelfde ‘derde partij’. Zij sneden onderwerpen aan waarmee bij de kiezers gevoelige snaren werden geraakt. Op die manier bepaalden zij waarover de discussie ging en gaven zij de VVD een duidelijk herkenbaar gezicht.

Ook Rutte heeft hiertoe gelegenheid gehad, bijvoorbeeld toen CDA-leider Balkenende doodleuk verklaarde dat hij van plan was door te gaan met de almaar voortschrijdende Europese integratie en dat hij het Nederlandse vetorecht overboord wil gooien zonder een en ander nog eens aan de kiezers voor te leggen. Rutte had toen kunnen verklaren dat in het referendum van anderhalf jaar geleden een duidelijk ‘nee’ heeft geklonken. En dat de zaak dus niet alsnog achter de rug van de kiezers mag worden geregeld. Zijn poging om zich alsnog in de markt te prijzen met de eis van opschorting van de onderhandelingen met Turkije over het EU-lidmaatschap was ongeloofwaardig, nadat hij vlak daarvoor een fractielid wegens precies dát standpunt had geëxcommuniceerd (Van Schijndel). Dan had Wilders met het willen blokkeren van Turkije als EU-lid geloofwaardiger geloofsbrieven.

De opmerkelijke conclusie van een verkiezingscampagne waarin de inhoud naar de achtergrond dreef, is dat die inhoud er uiteindelijk wel degelijk toe heeft gedaan. Een partij die kiezers wil trekken, zal scherp moeten inzetten op haar eigen identiteit, en deze niet moeten wegmoffelen uit angst om kiezers af te schrikken.

Nu de traditionele grote drie partijen hebben verzuimd hun eigen gezicht te tonen, strijken de partijen die dat wel doen, de winst op: de SP, Wilders’ Partij voor de Vrijheid en de ChristenUnie. De traditionele grote partijen daarentegen betalen alle drie een electorale prijs, maar ook het land als geheel betaalt het gelag.

Want naar het zich nu laat aanzien, zal het resultaat van een lange formatie een vlees-noch-viskabinet zijn van CDA, PvdA en ChristenUnie. Aan de politieke partijen de taak om zich voor de eerstvolgende verkiezingen, die zich wel eens gauw kunnen aandienen, te onderscheiden met pittiger programma’s.

Dr. P.G.C. van Schie is directeur van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD.