De Europese fifty-fifty-samenleving

De uitslag van de verkiezingen in Nederland suggereert een brede coalitie. Daar zijn in Europa meer voorbeelden van. Waartoe leidt de trek naar het midden? „Er zijn geen dominante politieke formaties meer.”

Hans-Gert Pöttering, de leider van de christen-democraten in het Europees Parlement, stond gisteren vooraan in de rij om zijn partijgenoot Fredrik Reinfeld, de nieuwe premier uit Zweden, tijdens zijn kennismakingsbezoek aan Brussel te begroeten. Hand, schouderklop, vriendelijke glimlach: politieke vrienden onder elkaar. „Weer een christen-democratische premier in Europa erbij”, had voorzitter Wilfred Martens van de Belgische christen-democratische partij eerder verheugd opgemerkt na Reinfelds overwinning.

Sinds de Nederlandse verkiezingsuitslag van gisteravond lijkt het erop dat Martens de christen-democraat Balkenende opnieuw kan begroeten op het Europees toneel. Maar kan echt gesproken worden van een trend? In Oostenrijk staat de sinds 2000 aan de macht zijnde christen-democratische bondskanselier Wolfgang Schüssel op het punt het veld te ruimen nadat hij op 1 oktober de verkiezingen verloor. Eerder dit jaar namen de christen-democraten al afscheid van Sylvio Berlusconi als premier van Italië, die moest wijken voor de linkse Prodi.

Als er al sprake is van een algemene trend in Europa, is dat er één van een trek naar het midden bij regeringsvorming, zegt Martin Schulz, de Duitse fractieleider van de sociaal-democraten in het Europees Parlement. Met veel belangstelling volgde hij de afgelopen weken de verkiezingscampagne in Nederland. Volgens hem is een combinatie van CDA en PvdA straks de enig werkbare vorm van regeringssamenwerking. „Net als in Duitsland, en net als in Oostenrijk. De grote coalitie is de trend”, aldus Schulz.

Voor de Europese politiek is dat overigens geen nieuw gegeven. In het Europees Parlement is al sinds jaar en dag sprake van een grote coalitie tussen christen-democraten en socialisten. Als zij het onderling niet eens worden, hapert de besluitvorming. „In het Europees Parlement moeten we het nu eenmaal hebben van consensus”, meent Schulz.

Het heeft alles te maken met het feit dat het Parlement het altijd weer moet zien eens te worden met de twee andere Europese instituties: de Europese Commissie en de ministers van de 25 lidstaten die zijn vertegenwoordigd in de Raad van de Europese Unie. Dan volstaat besluitvorming met krappe meerderheden niet. De in diverse Europese landen fel omstreden Dienstenrichtlijn werd pas aanvaard nadat christen-democraten en socialisten hierover onderling een alomvattend compromis wisten te bereiken.

Eenzelfde politiek evenwicht geldt voor de Europese Commissie. Het uitvoerend bestuur van de EU wordt niet voor niets voorgezeten door de christen-democratische Portugees José Manuel Barroso. Bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2004 kwamen de christen-democraten als grootste uit de bus. Maar de Commissie, waarvan de leden worden aangewezen door de lidstaten, kent ook socialisten en liberalen. Een echte politieke signatuur heeft de Commissie dan ook niet. De vorige was aanzienlijk politieker. De huidige Commissie heeft een hoog technocratisch gehalte, zeggen diplomaten in Brussel.

Volgens de Nederlandse PvdA-europarlementariër Jan-Marinus Wiersma ontwikkelen steeds meer lidstaten zich tot ‘fifty-fifty-maatschappijen’ en heeft dit een negatieve invloed op het functioneren van de EU als zodanig. „Er zijn geen dominante politieke formaties meer”, zegt hij. In regeringscoalities ziet hij zich dit in drie mogelijkheden vertalen. Wiersma: „Of er wordt geregeerd met een heel kleine meerderheid van maar enkele stemmen, zoals in Italië, of alleen een minderheidsregering is mogelijk zoals we zien in Tsjechië, of je krijgt een grote coalitie zoals in Duitsland.”

Het zijn stuk voor stuk coalitievormen die slagkracht ontberen, zegt Wiersma. In Italië en Tsjechië telt elke stem, terwijl in Duitsland de twee grote coalitiepartners elkaar in gijzeling houden. „Het leidt alom tot voorzichtigheid en tot regeringen die vooral voor de binnenlandse markt moeten opereren. Maar dat zijn geen regeringen die in staat zijn leiding te geven aan de Europese Unie.”