Veenbrand voorbij?

Gemeten naar de maatstaven van de nieuwe eeuw hebben we een abnormaal rustige verkiezingscampagne achter de rug. Herinneren we ons eerst de ondergang van het poldermodel. Daarna in 2002 de revolutie van Fortuyn die via de zomer van de kogelbrieven langzaam maar zeker is vastgelopen in de onderlinge vendetta’s van de zichzelf overschattende vernieuwers. Ze zijn in de vergetelheid geraakt. Toen pleegde de volgende fanaticus zijn moord op Theo van Gogh, waardoor de staat opnieuw leek te wankelen. En vorig jaar nog de triomfantelijke razernij waarmee de kiezers de Europese Grondwet verwierpen. Intussen ontwikkelde zich het schandaal om mevrouw Hirsi Ali, voorvechtster van de vrouwenrechten overal ter wereld. Ze kreeg genoeg van het Hollandse gehakketak en nam de wijk naar Amerika waar ze bij een conservatieve denktank werkt.

Intussen smeulde hier de veenbrand voort; of men bleef schuimbekken. Nergens in het Westen hebben politieke tegenstanders, columnisten, bloggers, gewone mensen in de openbare ruimte zo ongeremd een grote bek opgezet, uitgescholden, beledigd, verdacht gemaakt als hier in de afgelopen vijf jaar. Toch werd de mening gevestigd dat de vrijheid van meningsuiting in gevaar was, doorlopend, iedere dag.

In de voorbereidingen tot deze verkiezingen diende zich een reeks van nieuwe partijen aan, alweer opgericht door mensen die definitief orde op zaken zouden stellen. Hoe het komt weten we niet, dat moet nog worden onderzocht, maar naarmate de 22ste november naderde, verdwenen de meesten van deze revolutionairen. De overblijvers, onder wie de gevreesde Geert Wilders, hebben gisteravond hun debat op de televisie gehouden. Het was een ‘smurfendebat’ volgens de heer Pechtold van D66. Deze betiteling lijkt zich te hebben bevestigd.

Het daarop volgende debat van de groten is ook, binnen de grenzen van de tegenstellingen, onberispelijk verlopen. Mevrouw en de heren legden nog eens uit wat ze met het vaderland van plan zijn en waarom ze bezwaar hebben tegen de plannen van hun tegenstanders, desnoods sommige misstanden ‘een schande’ vinden.

Soms was ik het meer met deze spreker eens, dan weer met die, maar het gaat me nu om de vertoning in haar geheel. Het deed weer denken aan het oude Dorp Nederland, met Dik Trom als minister-president en Brave Hendrik als zijn mogelijke opvolger en deze twee vergezeld van een paar min of meer weerspannige klasgenoten.

Tot slot heb ik naar Freek de Jonge gekeken, een afrekening in onze nationale komische traditie. Niemand gespaard, allemaal van zijn röntgenportret voorzien. Links zien we de vergrijzing, rechts de verpeutering, zei hij bij zijn behandeling van de liberale leider Mark Rutte. Het best vond ik zijn opmerking over J.P. Balkenende: „Na de moord op Van Gogh heeft hij in Uden, in het kader van het sussen en blussen, na de brand in een moslimschool eens een kwartier tegen de achterkant van een gesluierde vrouw aan staan praten.” Beter kun je deze kern van de Nederlandse werkelijkheid niet formuleren.

In New York had ik de eindfase van de Amerikaanse verkiezingscampagne gevolgd, hoe steeds sterker de toon werd gezet door de ‘attack ads’ op de televisie, de regelrechte persoonlijke aanvallen en de verdachtmakingen over en weer, het circus van de propaganda, dat met de inzet niets te maken heeft, maar dat wel bij iedere volgende gelegenheid meer de toon van het feest der democratie bepaalt.

De Amerikaanse kiezers hadden zich niet van de hoofdzaken laten afleiden. Na 9/11 was de natie geschokt en vervolgens geleidelijk op een dwaalspoor geraakt. Nu krijg je in ieder geval het vermoeden dat aan het einde daarvan de werkelijkheid weer wordt herkend. Op 7 november ging het om de puinhoop in Irak, de afbrokkelende welvaart van de middenklasse, de immigratie, de werkgelegenheid. De ontknoping was de nederlaag van de Republikeinen op alle fronten.

Zou zich ook in Nederland een langzame restauratie van rede en nuchterheid voltrekken? Is de veenbrand langzaam aan het doven, is de hysterie van de overslaande stem over het hoogtepunt heen? Hebben we zoveel koelbloedigheid verzameld dat we weer aan werkelijke vraagstukken kunnen beginnen?

Dat hoop ik van harte. Maar dat doen we wel in een andere wereld dan die we aan het begin van de eeuw hebben verlaten. De weg terug naar het politieke Dorp Nederland is voorgoed afgesneden.

De enige die in het debat tussen de groten er blijk van gaf dit te begrijpen, was Femke Halsema. Ze bracht Irak ter sprake en vroeg Balkenende waarom hier, in tegenstelling tot in Amerika, nog geen onderzoek was gedaan, laat staan een enquête gehouden naar de aanvankelijke formele steun van Nederland aan deze oorlog, en de latere daadwerkelijke deelneming. De aangesprokene reageerde geïrriteerd. Met de juridische rechtvaardiging was het dik in orde. Maar mevrouw Halsema heeft gelijk: de juridische basis was aanvechtbaar, zeker in combinatie met de feitelijke omstandigheden. Nederland heeft toen hand- en spandiensten verricht ten behoeve van een wankele onderneming die intussen tot een internationale ramp is geworden.

Nederland is op internationaal gebied een actieve deelnemer, nu onder andere volop in Afghanistan. Maar buitenlandse politiek heeft in deze verkiezingscampagne geen rol gespeeld. Daarmee wordt in Washington de indruk bevestigd dat we democratisch hebben besloten de ja-en- amenzeggers te blijven die we de afgelopen vier jaar zijn geweest. Dat vind ik voorlopig van deze verkiezingen de grote tekortkoming.