‘Ulysses’ is bedacht in Rome

Toen James Joyce in 1906 in Rome woonde, besloot hij een verhaal te gaan schrijven over Alfred H. Hunter, een man die hem eens op barmhartige wijze had geholpen. Het was de geboorte van ‘Ulysses’.

Ulysses is geboren in Rome. De ‘beste roman van de twintigste eeuw’, volgens een door uitgeverij Random House onder schrijvers en lezers uitgevoerde enquête, ontstond als idee op het kantoor van de Nast-Kolb & Schumacher-bank op de hoek van de Via San Claudio en de Corso, op de begane grond van een groot palazzo dat momenteel in de steigers staat. Joyce verzorgde bij de bank eerst de handelscorrespondentie, later werd hij bevorderd tot receptionist. Hij maakte ‘verdomd’ lange dagen, van half negen tot twaalf en van twee tot half acht. Zijn baas kwam hem steeds zeggen dat hij rechtop moest zitten en zijn enige broek versleet hij tot op de kont, zodat hij de gaten moest bedekken met de panden van zijn jas. Zijn collega’s informeerden hem om kwart voor negen stipt over de stand en de conditie van achtereenvolgens hun cazzo (lul), hun culo (reet) en hun coglioni (kloten). Joyce haatte Rome vanaf het moment dat hij op 31 juli 1906 als economische vluchteling en gelukzoeker vanuit Triëst in de Eeuwige Stad aankwam. Hij was doodsbang voor de Tiber, omdat die zo breed was, een behoorlijk café was er niet te vinden en de Romeinen deden hem nog het meest denken aan mensen die voor geld het lijk van hun grootmoeder tentoonstelden als toeristische attractie.

Joyce betrok een éénkamerwoning in de Via Frattina 52, vlakbij de Spaanse Trappen, waar de dichter John Keats zijn laatste adem had uitgeblazen. Het gezin bestond uit de 24-jarige bankemployé, zijn twee jaar jongere kastanjeroodbruinharige vrouw Nora en hun net twee geworden zoontje Giorgio (zijn zusje Lucia zou in Rome verwekt worden en in Triëst ter wereld komen). De Joyces waren straatarm. Het grootste deel van de correspondentie met zijn broer Stanislaus, die in Triëst was gebleven en het ook niet breed had, is financieel van aard. Wat alles kost (‘soep voor het kind, onze lunch, met brood en wijn: 1 lire 90; druiven na afloop en de fooi 30 cent’ etc.) en waar het geld vandaan moet komen, voornamelijk van Stannie als er weer een heel stuk maand overschoot aan het einde van het salaris: ‘18 september, 1906. Ik heb nog geld voor vandaag, morgen en het grootste deel van zaterdag, maar daarna niks meer. Dus als je me voor zaterdagochtend vroeg geen geld hebt getelegrafeerd, heb ik geen middelen van bestaan meer.’ Je zou er een dagkalender van kunnen maken: James Joyce heeft geld nodig. Het is één lange aaneenschakeling van financiële klachten en smeekbedes. ‘14 februari, 1907. Wat je stuurt zal ik je stipt op de 1ste terugsturen, als ik naast m’n salaris veertig lire heb gekregen, 20 lire van een oude leerling en 20 van een nieuwe die dan begint,’ want Joyce gaf in de avonduren ook nog privélessen Engels om de laatste eindjes aan elkaar te knopen.

Temidden van al deze nooddruft en loonslavernij schrijft Joyce verder aan zijn verhalenbundel over zijn geboortestad en haar bewoners, Dubliners. Hij heeft er al een contract voor, maar het ziet er niet naar uit dat het boek binnen afzienbare tijd zal worden uitgegeven, omdat de uitgever opeens allerlei aanstootgevende passages in het manuscript was tegengekomen, en het werden er bij nader inzien ook steeds meer, passages die niet door de beugel konden en die Joyce zou moeten veranderen of schrappen. Joyce voert er een tamelijk eenzijdige correspondentie over met de uitgever, die niets terugschrijft. Van het uitstel (dat afstel zal worden) maakt Joyce gebruik om nieuwe verhalen te schrijven en te bedenken, met vele nieuwe aanstootgevende passages voor de gemiddelde preutse en katholieke Dublinse lezer.

Hij bedenkt een verhaal waarin de Ierse gastvrijheid, die hij pas in Rome zo is gaan missen en waarderen, een grote rol speelt, The Dead. Een ander verhaal moest gaan over een zekere meneer Alfred H. Hunter, een Dubliner van wie gefluisterd werd dat hij joods was en een overspelige vrouw had. Deze Hunter had Joyce een keer uit de penarie gehaald nadat Joyce het in de Dublinse hoerenbuurt had opgenomen voor een dame en in elkaar was geslagen. Hunter had zich over hem ontfermd en mee naar zijn huis genomen, waar hij hem op samaritaanse wijze enigszins had opgelapt, met een pleister en warme chocolademelk. Het verhaal moest Ulysses gaan heten, schreef Joyce vanuit Rome aan zijn broer, maar het kwam in Rome niet verder dan de titel. Nadat Joyce na een verblijf van zeven maanden de stad achter zich liet, schreef hij het boek zeven bijbelse jaren later in zeven even bijbelse jaren, in Triëst, Zürich en Parijs, zoals de laatste woorden van de roman luiden. Maar dat neemt niet weg dat Ulysses van huis uit behoort tot dat oude volk van rare jongens, de Romeinen.

Rectificatie / Gerectificeerd

Bij het artikel ‘Ulysses’ is bedacht in Rome (22 november, pagina 24) zijn de namen van de auteurs weggevallen. Het gaat om Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes.