Inventiviteit verstopt in Apple-laptopjes en iPods

Gaudeamus Live Electronics Festival. Gehoord: 20, 21/11, Bimhuis en Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. Festival t/m 24/11. Info: www.gaudeamus.nl

Het componeren van elektronische muziek is ook een soort uitvinden – vooral wanneer de elektronica ter plekke wordt bediend. Op het Live Electronics Festival is dat vaak te horen en te zien in wereldpremières en in werken uit de begintijd van de live-elektronica.

Zeker in die begintijd, zonder synthesizers en laptops, moesten componisten een grote inventiviteit aan de dag leggen. Solderen, componeren, het bedenken van een ‘performance’: het was allemaal onderdeel van één en hetzelfde creatieve proces, zoals te zien is in de documentaire van, en deels over, elektronicapionier Gordon Mumma, een prominente gast op het festival.

Het is jammer dat de meeste inventiviteit tegenwoordig onzichtbaar blijft in de alomtegenwoordige Apple laptopjes. Maar ook Robert Ashley’s onderaards brullende Wolfman (1964), te horen tijdens een concert met historische composities, leed al aan dit euvel: je hoort iets totaal anders dan je ziet, wat zowel fascinerend als frustrerend kan zijn.

Anders is het in Steve Reichs Pendulum Music (1968), met boven luidsprekers schommelende microfoons, of Misha Mengelbergs Organum Candelabrum (1974), met een door een kaars gestuurd orgelakkoord. Hier kijk je naar een langzaam verlopend proces, en is wat je ziet ook wat je hoort.

Christina Viola Oorebeek nam in Chromotoy III, dat gisteren in première ging, met haar laptop een positie aan de zijkant van het podium in. De klanken die pianiste Tomoko Mukayama produceerde op een speelgoed- en een concertvleugel, rekte zij uit tot delicate, belletjes-achtige weefsels.

Een actievere rol zochten Marco Ciciliani en Henry Vega. Vooral Vega slaagde er goed in zich als primus inter pares bij de leden van MAE (voorheen Maarten Altena Ensemble) te voegen. Soms kleurde hij in The Vapor Collisions (2006) het timbre, soms voegde hij eigen klanken toe. Haast klassiek waren de momenten waarop hij de ensembleklank ‘bevroor’ tot een basislaag waarboven dan bijvoorbeeld de soloviool verder speelde.

Ciciliani trad op met zijn eigen ensemble Bakin Zub. De langzame glissando’s in het quasi-improvisatorische Nr. 1, Skin deden aan het werk van Xenakis denken. Jammer dat het ontaardde in een pretentieus, slecht gezongen popliedje.

Gordon Mumma sloot af, weer met Tomoko Mukayama. Hij confronteerde in From the rendition series (2006) het cleane, krachtige pianospel van Mukayama met een vermolmde, krasserige piano-opname. Wel jammer dat Mumma, ooit dé live-elektronicus, met zijn iPods in de vleugel nu ook zo onzichtbaar te werk gaat.