‘Geef mij dat beeld!’

In ‘De korte golf’ beschrijft Guus Middag radiomomenten die hem raken. Vandaag de nachtelijke interviews van Martin Simek.

Je kunt allerlei opwindende dingen doen op zaterdagavond, tussen twaalf en één uur ’s nachts, maar het meest opwindende is natuurlijk naar de radio luisteren, in de keuken, bij de sfeervolle lichtjes van de afzuigkap. Tussen twaalf en een komt Martin Simek in de lucht – en als Martin er is, gebeurt er altijd wat. Ik ben een fan, dat moet je er van tevoren geloof ik wel bij zeggen. Ik hoor hem graag, met zijn Tsjechische accent en zijn grappige zinnen. „Mijn gast heeft twee keer via balkon een brandend pand ingeklomm’n, waar hij mens’n van dood heeft gered.” Hij kan ook heel mooi ‘u’ zeggen, dat is iets tussen ‘ie’ en ‘joe’ en ‘oe’ in.

Simek is of speelt de onhandige buitenlander die het allemaal niet zo snel kan volgen. Als gast Simon de Waal, rechercheur en scenarioschrijver, van rechercheurs zegt dat ze ‘veel verdienen, maar niet zo veel krijgen’, duurt het even voordat Simek het snapt. „O, dat was een woordspeling! Maar dan moet u bij mij oppass’n, met woordspeling!” Zo worden de rollen heel handig omgedraaid. De gast gaat langzamer en simpeler formuleren om zijn gastheer ter wille te zijn – en dat was precies de bedoeling. Simek doet nog veel meer om zijn gasten te ontwapenen. Hij valt ze in de rede. Als De Waal nog denkt dat hij voor dit radioverhoor ‘niks te verbergen’ heeft, vraagt Simek meteen: „Bent oe trouw aan oe vrouw?” Hij is jongensachtig en onbevangen, hij leeft zich in en dringt zich op: „Was dat ooit zo erg dat u moest spontaan overgeef’n?”

De gast moet leeg en weerloos worden gemaakt, om een gesprek over zijn emoties te beginnen. Want dat is waar Simek op uit is: de emoties van zijn gast. „Nee! Niet zo algemeen antwoord’n!” roept hij kwaad uit, als hij van De Waal wil weten wat hij in de twintig jaar van zijn carrière het ergst heeft gevonden. Geen ambtenarenantwoorden. „Nee! Gewoon beeld! Geef mij dat beeld!” En als De Waal zich op de vlakte blijft houden, gaat Simek door met emotiejagen. Dit is geen emoradio, dit is emosport. Wie gaat er winnen? „Toen oe dochter eruit kwam, moest oe haulen?” Als dat ook niet tot de gewenste ontlading leidt, vraagt hij maar eens hoe het was toen De Waal als kind voor het eerst een lijk zag. En als De Waal dan zegt dat hij, eh, even denken, zich sterk afvraagt of hij als kind ooit een lijk heeft gezien, ontploft Simek van ongeloof. „Hebt u voor vannacht oew gevoel uitgeschakeld? Het is toch krankzinnig dat oe zich dat moet afvraag’n!”

De uitgebalanceerde politieman is zich van geen kwaad bewust. Simek geeft de moed op, dat hoor je. Hij heeft de wedstrijd verloren. Zijn gast blijft zakelijk en beleefd. Simek smeekt hem om dan maar te vertellen over het eerste lijk dat hij als agent zag. „Geef dan tenminste díé lijk prijs aan ons.” Veel levert het niet meer op. Het uur loopt ten einde. Simek, de ex-tennisser, sjokt naar het denkbeeldige net. Hij is leeggespeeld. Hij schudt zijn tegenstander de hand en bedankt hem voor zijn komst. Hij meldt ons dat wij over een week weer naar hem kunnen lausteren, in gesprek met een nieuwe gast. „Eén ding is zeker: het wordt geen rechercheur.”