Borstvoeding onvervangbaar

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) pleit er terecht voor dat wereldwijd borstvoeding zo enigszins mogelijk wordt toegepast als het enige voedsel in de eerste zes levensmaanden en als aanvullende voeding (met opklimmend vast voedsel) in ten minste het tweede halfjaar. De argumenten daarvoor kunnen worden nagelezen in de Policy Statement van de American Academy of Pediatrics, gepubliccerd in Pediatrics 2005;115: pag. 496-506). Na de column van Heleen Mees ‘Stop met borstvoeding’ (Opiniepagina, 3 november) is een samenvatting van deze argumenten bepaald op zijn plaats.

Borstvoeding vermindert de incidentie en/of de ernst van een groot aantal infectieziekten, waaronder bacteriële hersenvliesontsteking, diarree, luchtweginfectie, middenoorontsteking en urineweginfectie.

Kinderen met borstvoeding lopen in het eerste jaar minder kans op wiegendood, en bij oudere kinderen en volwassenen minder kans op suikerziekte, lymfoom, leukemie, de ziekte van Hodgkin, astma, overgewicht en vetzucht.

Ook de zogende moeder heeft profijt van borstvoeding geven. Zij heeft minder kans op een nabloeding na de bevalling, de involutie van de baarmoeder gaat sneller, zij is eerder terug op haar lichaamsgewicht van voor de zwangerschap en ze heeft minder kans op borstkanker en eierstokkanker, en mogelijk ook op osteoporose en heupfracturen na de menopauze.

Het Amerikaanse artikel geeft ook een overzicht van bepaalde stoornissen en omstandigheden die het geven van borstvoeding tijdelijk of blijvend ongewenst maken of juist geen belemmering zijn om zelf te voeden. Bij borstvoeding wordt het gebruik van alcohol afgeraden, omdat alcohol in de melk wordt geconcentreerd en ook omdat alcohol de melkaanmaak kan belemmeren. Na incidenteel alcoholgebruik wordt aangeraden de eerste twee uur geen borstvoeding te geven. Bij geelzucht van de pasgeborene kan de borstvoeding doorgaans zonder onderbreking worden voortgezet en alleen in zeldzame gevallen van ernstige bilirubinestijging korte tijd worden onderbroken.

Om ten minste een jaarlang borstvoeding te kunnen geven wordt aanbevolen de actieve, gezonde pasgeborene onmiddellijk na de geboorte met huid-op-huid-contact aan te leggen tot de eerste voeding is voltooid. Het afdrogen, het bepalen van de apgarscores en het eerste lichamelijk onderzoek kunnen tijdens dit aanliggen worden gedaan, terwijl het wegen, meten en baden worden uitgesteld tot na die eerste voeding. De baby blijft daarna dichtbij de moeder zonder in de eerste vier maanden samen met een of twee ouders in één bed te slapen.

In de eerste weken wordt de moeder aangemoedigd elke keer de borst te geven zodra haar kind met bewegingen van zijn gelaat, hoofd of lichaam aangeeft daar aan toe te zijn, meestal 8 tot 12 keer per etmaal. Het is van belang daarmee niet te wachten tot het kind huilt. Als de borstvoeding goed op gang is neemt de frequentie in de regel af tot een keer of acht per etmaal, tijdens een groeispurt tijdelijk vaker. Na enige dagen borstvoeding wordt controle door een deskundige (hier meestal de verloskundige) aangeraden. Met goede voorlichting en met adequate zorg van de hulpverleners is het als regel mogelijk ten minste een jaarlang borstvoeding te geven, mits de moeder daar inderdaad voor kiest en beschikbaar is.

Dat borstvoeding de binding tussen vader en kind zou belemmeren, is fantasie. De vader heeft op allerlei andere manieren immers volop gelegenheid om met zijn kind contactuele bezigheden waar te nemen zoals baden, verluieren, koesteren, schommelen, babbelen, praten, fluiten, zingen, spelen, wandelen, tekenen en fotograferen. De uitspraak ‘Borstvoeding belemmert de broodnodige binding tussen vader en kind’ is een modieus verzinsel om schuldgevoelens bij de moeder tegen te gaan.

Inderdaad is er behoefte aan financiële compensatie door de overheid. Om ter wille van de volksgezondheid bij veel meer kinderen zes maanden volledige borstvoeding te bereiken (nu bij ongeveer 20 procent) en daarna ten minste zes maanden borstvoeding in afnemende hoeveelheid (nu bij minder dan 10 procent), zal de overheid inderdaad over de brug moeten komen. Het gaat om het welzijn van kinderen en moeders, met minder ziektekosten, minder zuigelingensterfte, minder traumatiserende omstandigheden in de vroege jeugd, minder kanker en minder stress en ziekteverzuim. Vrouwen die kiezen voor borstvoeding, dienen hiertoe in staat gesteld te worden.

Dr. G.A. de Jonge is emeritus hoogleraar kindergeneeskunde.

Lees de column van Heleen Mees op www.nrc.nl/opinie