Bandwagon of underdog

Peilingen domineerden de verkiezingscampagne, en hun invloed is aanzienlijk.

Maar de betrouwbaarheid laat te wensen over, zeker als internetters zich zelf melden.

Met 25 miljoen internet-enquêtes per jaar is Nederland waarschijnlijk het grootste online enquêteland ter wereld. En bij verkiezingen zijn digitale enquêtes zelfs bepálend, zegt Jan Kleinnijenhuis, hoogleraar communicatiewetenschap aan de Vrije Universiteit.

Dat wil zeggen: „Niet de opiniepeilingen zélf, maar het nieuws dat er mee wordt gemaakt.” Wie in de peilingen wint of verliest, wordt belangrijker nieuws dan de inhoudelijke verschillen tussen de partijen.

Een voorbeeld? De positie van André Rouvoet van de ChristenUnie, zegt politicoloog Joop van Holsteyn, bijzonder hoogleraar kiezersonderzoek aan de Universiteit van Leiden. Rouvoet was de afgelopen weken een veelgevraagd politicus in de media, omdat zijn partij in de peilingen op zes zetels stond – en mogelijk een rol zou spelen bij coalitie-onderhandelingen.

Van Holsteyn: „Het gesprek met hem ging dus over de peilingen en over de coalities die mogelijk zouden zijn op basis van die peilingen. Inhoud kwam nauwelijks ter sprake.”

In de loop van een verkiezingscampagne neemt ruim negentig procent van de kiezers kennis van de peilingen. In hoeverre laten ze zich hierdoor beïnvloeden bij hun stemgedrag?

Volgens politieke wetenschappers laat maar een klein deel van de kiezers – exacte cijfers zijn niet bekend – zich volledig door peilingen leiden. Maar er zijn wel effecten die iederéén beïnvloeden. Zo’n fenomeen is bijvoorbeeld dat kiezers graag op een winnaar stemmen, het zogeheten bandwagon effect. Als een partij het goed doet in de peilingen, sluiten zich veel anderen bij die partij aan.

En er is het underdog effect. De kiezer redeneert bijvoorbeeld: „D66 staat nu zó slecht in de peilingen, ik wil dat die partij blijft bestaan, dus ik ga er op stemmen.” Dit effect is kleiner dan het bandwagon effect.

Volgens Peter Kanne van TNS NIPO bieden peilingen de kiezer „transparantie”. Kanne: „Bij vorige verkiezingen liep de SP (Bij TNS NIPO nu 32 zetels in de peiling, red.) altijd terug. Veel mensen gingen tóch op de PvdA stemmen. Maar nu de SP in de peilingen écht een factor blijkt, houdt die partij de stemmen vast.”

Ander voorbeeld: de Partij voor de Dieren. „Die komt zeker in de Kamer”, zegt Kanne. Bij vorige verkiezingen lukte dat niet, omdat de partij in de peilingen toen niet constant was. „Een stem op de Partij voor de Dieren kon dus een verloren stem zijn.” Zijn conclusie: „Door de peilingen kom je tot beter gemotiveerd stemgedrag.”

De invloed van peilingen mag duidelijk zijn, intussen bestaat er wel veel kritiek op de methode van peilen. „Als gebruik wordt gemaakt van een internetpanel, en als dat panel tot stand is gekomen door vrijwillige aanmelding van deelnemers, is er geen sprake van een aselecte steekproef”, zegt Van Holsteyn. Mensen zonder internetaansluiting zijn op voorhand uitgesloten bijvoorbeeld, en mensen die geen zin hebben zich te melden, blijven buiten beeld.

Van Holsteyn: „En dus is en blijft het etiket ‘representatief’ een vlag op een stinkende modderschuit.” Ook al bepalen de peilingen tegenwoordig voor een belangrijk deel de verkiezingsstrijd, „hoe ze tot stand zijn gekomen, weten we niet”.

Bekijk alle peilingen op: www.objectiefbekeken.nl of 72223 naar 7585