Verbeten bleef ik de Sint aanhangen

Sinterklaas, wat een heerlijk flexibel geloof. Ik kwam er als kind veel te vroeg achter dat hij niet bestond, want ik had mijn vaders chaotische wenkbrauwen herkend boven zijn baard van Etos-wattenbollen. Maar dat leverde geen enkel probleem op voor mijn geloof in de Sint; dat werd er juist des te feller op. Verbeten bleef ik de Sint aanhangen, en ik was dan ook ontdaan toen mijn vader een paar jaar later voorstelde om samen cadeautjes te gaan kopen voor mijn jongere broer en zus. Ik, Sinterklaascadeautjes kopen? Nee, dat deed Sinterklaas zelf maar. Ergens bij de Spaanse Bart Smit.

Dit ontkenningsgedrag zie ik ook bij D., mijn leenkind, bij wie ik elke week ga eten. Zag je hem zondag Zie ginds komt de stoomboot zingen, terwijl hij om de paar strofen de tuindeuren opengooide om er zeker van te zijn dat Sint het allemaal hoorde, dan dacht je: hier staat een gelovige. Maar even later zat D. me alweer met guitige ogen te vertellen over ‘iets’ dat hij die middag voor mij had geknutseld en dat ik op Sinterklaasavond zou krijgen. Om vervolgens weer ernstig naar het Sinterklaasjournaal te kijken, en na afloop prangende vragen te stellen over de uitzending, zoals: „Waarom presenteert Dieuwertje het Sinterklaasjournaal nooit op zondag?” (Hij kent Dieuwertje Blok nu al zoveel Sinterklaasjournalen dat hij haar informeel bij haar voornaam noemt.)

Als zijn moeder vraagt of Sint bestaat, roept D. boos: „Ja!” Maar als ze zegt dat D. een schoen mag gaan halen om te zetten, komt hij lachend met een enorme zwemband aan, omdat „daar meer in past”. Dan is zijn Sinterklaasfundamentalisme ineens ver te zoeken. Na het schoenzetten, vertelde ik hem in bed een van mijn epische zelfbedachte verhalen over een fictief kostschoolmeisje. Dit keer betrapte het kostschoolmeisje Sinterklaas en zijn pieten bij het pakjes bezorgen, met alle gevolgen van dien.

D.’s ogen schitterden opgewonden en hij rukte steeds aan zijn gordijn om te kijken of hij Sint ook kon betrappen op een of ander dak. Even leek het alsof zijn geloof weer opgeleefd was. Even. Toen zijn moeder hem een kusje kwam geven, zei hij zakelijk tegen haar, alsof hij haar eraan hielp herinneren om de vuilnis buiten te zetten: „Doe je straks wel een cadeautje in mijn schoen?”

Aaf Brandt Corstius

Lees alle columns van Aaf op www.nrc/nl/aaf