Van Hoek laat niets aan verbeelding over

Tentoonstelling: Barend van Hoek, Barendsoog. T/m 7 januari 2007 in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem, Utrechtseweg 87 Arnhem. Di t/m vr 10-17u, za en zo 11-17u. Inl: 026-3512431, www.mmkarnhem.nl

Op de vraag ‘Wat heb je met vrouwen?’, moet kunstenaar Barend van Hoek (Goirle, 1969) lachen. Vreemd, want die vraag zal hij toch vaker gehoord hebben. Van Hoek heeft één enkel onderwerp. In houtskool tekent hij op grote vellen jonge, wulpse vrouwen, liefst zo bloot mogelijk. En wanneer ze niet bloot zijn, dan laat de kleding niets aan de verbeelding over. Hun strakke jeans en dunne T-shirts zijn alleen bedoeld als wellustige verpakking voor ronde billen en borsten.

De lachende Van Hoek is te zien in een videoportret, dat op een monitor draait in zijn tentoonstelling Barendsoog in Arnhem. Het is een kleine solopresentatie van achttien tekeningen en een videocompilatie. Op de video zie je piepkorte sketches: meisjes die oefenen voor een bonte avond, een zadel dat tussen twee vrouwenbillen verdwijnt.

Op de tekeningen liggen pubermeisjes op de vloer van hun meisjeskamers huiswerk te doen, tenzij ze gekneveld zijn of de beschouwer met zaadvragende ogen aankijken. Anderen zitten zonder slipje op een fiets of scheren hun schaamheuvel. Het zou sensueel kunnen zijn, ware het niet dat Van Hoek sommige vrouwen een monsterlijke apentronie meegeeft. Hoe exhibitionistischer het lijf, hoe akeliger de grijnzende kop erboven.

Niet alles is zwaar erotisch. Op vijf à zes tekeningen lopen jongeren onschuldig te flirten op een parkeerplaats, drinken ze koffie of hangen ze met toeters en rookpluimen uit een auto om te vieren dat hun voetbalclub gewonnen heeft. Daar haalt Van Hoek meer tevoorschijn dan alleen billen en borsten. In deze werken maakt hij er een spel van om hoofd- en bijzaken evenveel aandacht te gunnen. Met zijn altijd even dikke tekenlijn zet hij de contouren neer van wapperende haren, autobanden, wandcontactdozen – alles even helder en gedetailleerd.

Die ogenschijnlijke details geven soms een mooie dynamiek aan de compositie. De tekening van de voetbalfans, met strakke vlaggen en rookpluimen herinnert aan communistische posters van arbeiders op tractoren, zoals de fans met geheven kin voor zich uit kijken. Voorwaarts, de victorie wacht!

Het zal vanwege die paar situatieschetsen zijn dat de zaaltekst Van Hoeks tentoonstelling typeert als een portret van de jeugd van nu. Maar de sfeer is anders. Deze jeugd lijkt eerder uit de jaren zeventig of tachtig te stammen. Hun exhibitionisme heeft eenzelfde verveling als Hollandse films uit die jaren, zoals Spetters, waarin personages vanwege seksuele vrijheid en lamlendigheid dan maar aan liefdeloze seks doen. Maar vooral is Van Hoek schatplichtig aan een specifieke held van die tijd: striptekenaar Robert Crumb. De cartooneske tekenstijl waarmee Van Hoek mollige vrouwenlijven en priemende tepels tekent, lijken soms letterlijke beeldcitaten.

Alleen zijn zijn meisjes nooit zo subtiel intimiderend als die in Crumbs morsige wereldbeeld. De apenkoppen die als satire op de mensheid bedoeld zijn, blijken in de praktijk storende beeldelementen die niet passen bij de rest van de tekeningen. Nergens ontstaat een spannende versmelting van pornografie en angst of afkeer zoals bij Crumb of andere kunsthistorische voorgangers – de misogyne schilders Balthus en Alfred Kubin bijvoorbeeld.

Uiteindelijk beantwoordt Van Hoek in het videoportret toch de vraag over zijn fascinatie voor vrouwen. Die is hetzelfde als bij andere mannen, zegt hij. Hij heeft ook wel eens landschapjes geprobeerd maar dat boeide hem niet. Vrouwen wel.

Hij wil dat zijn werk meteen de aandacht grijpt, zoals een mooi meisje op straat dat ook doet. Dat lukt. Billen en borsten vallen onmiddellijk op, dikke zwarte tekenlijnen ook. Maar daar blijft het dan bij.

Al zitten er mooie compositionele vondsten tussen, zijn werk is weinig meer dan platte pubergeilheid.