Stemmen (1)

We moesten naar Haarlem. Wouter Bos wilde nog één keer zijn partijgenoten toespreken voor hij de eindstrijd inging. Behoedzaam baande onze taxi zich een weg over een spookachtig fabrieksterrein voorbij het centrum van Haarlem. Het regende, het waaide en het was donker, donker, donker.

„Dit is toch geen symbolische keus van Wouter geweest?”, vroeg ik.

„Vraag het hem zelf”, zei mijn vrouw, als gelouterd PvdA-lid allang alle ironie voorbij.

„Ik heb niet het gevoel dat we nu het hart van de samenleving naderen, iets wat je als politieke partij toch altijd moet nastreven.”

„Niet zeuren. We zijn er al.” Ze wees op de matig verlichte contouren van een oude, gerenoveerde fabriek: De Lichtfabriek. „We zijn te laat. Overal staan geparkeerde auto’s.”

We waren niet te laat, mijn beroepseer gebiedt mij dit te zeggen. Het spektakel moest nog beginnen, we waren alleen te laat voor een zitplaats. Enkele honderden leden, veelal in rode bovenkleding gehuld, zaten opeengepakt in een kleine ruimte te wachten op de grote leider. Ze hielden een stevig rood vouwblad vast, waarmee ze harder dan normaal konden klappen als ze ermee ferm op een of ander, liefst onbedekt, lichaamsdeel sloegen.

„Gemoedelijk sfeertje”, zei mijn vrouw, „geen kakpubliek. Haal ook even zo’n klapper.”

„We zijn helaas nu al door onze klappers heen”, zei een man achter een stalletje met PvdA-parafernalia. Nog altijd geen partij van geboren ondernemers.

Dan maar zonder klapper naar Nebahat Albayrak luisteren. Zij moest voor Bos het bedje van de partijgeest opwarmen. Wordt Albayrak ooit een begenadigd spreker? Mogelijk, maar op deze avond was zij nog te nerveus. Haar lichaam verried spanning in elke vezel, haar stem klonk schril. „Balkenhonde”, zei ze even, en dat was geen bewuste naamgrap.

Wij konden vanuit een hoekpunt uitstekend de arena overzien, maar werden opeens verdreven door doortastende tv-mannen die „voor het journaal” opnamen moesten maken. Ik verloor mijn vrouw uit het oog en kwam ergens aan de zijkant van de zaal terecht. Daar zag ik Bos zijn vorstelijk toegejuichte entree maken. Klappen, staan, zitten. Opeens begreep ik de bedoeling: wij waren het levende decor voor een kort item in ‘het journaal’. Bos sprak niet ons, maar ‘het land’ toe, wij fungeerden als stem- en klapvee. Leve de tv-democratie!

Bos sprak een kwartiertje. „Nog 48 uur en 55 minuten, dan is het voorbij”, zei hij. Het was een prettige gedachte. Tot twee keer repte hij van een kabinet Balkenende-Verdonk. Rutte bestond al niet meer. Een sterke retorische vondst, maar wat laat bedacht.

Pas toen Bos door de zaal luidkeels was uitgezwaaid, vond ik mijn vrouw terug. Ze trilde nog na van emotie. „Raad eens wat er gebeurd is?”, zei ze. „Ik stond te wachten, en wie staat er vlak achter mij? Wouter! De camera zwenkte op ons af en toen sprong hij achter mij vandaan de zaal in.”

„Je hebt hem toch niet aangeraakt?”, vroeg ik, merkwaardig gespannen.

„Ik weet het niet. We stonden héél dicht bij elkaar.”

Even later liepen we weer buiten. In dat stikdonker, waar kuilen vol regenwater schaterlachend op onze enkels wachtten. „We gaan lopen”, zei ik streng.