In Irak is de oudheid ‘buitenaards’

Overheidsdiensten en jeugdorganisaties doen hun best de Iraakse oudheden te beschermen. Maar drijvende kracht Donny George moest vluchten. Kinderen krijgen nauwelijks les in hun oude geschiedenis, sombert hij.

Vier maanden geleden ontvluchtte de Iraakse christen Donny George zijn land. Hij was hoofd van de Iraakse State Board of Antiquities (SBA). In 2004 was hij de initiatiefnemer van een speciale politie-eenheid ter bescherming van oudheden. In die tijd was hij ook directeur-generaal van de Iraakse musea. En hij was betrokken bij veel opgravingen. Donny George geldt al jaren als het factotum van de Iraakse archeologie. Afgelopen donderdag gaf hij een drukbezochte lezing in het British Museum in Londen. Aan het eind van zijn trieste verhaal over de wanhopige archeologische situatie in Irak, geïllustreerd met lichtbeelden van systematisch omgewoelde oude steden en kapotgeslagen kunstwerken, kreeg George een langdurige staande ovatie. Hij heeft al een nieuwe baan, zijn internationale netwerk is nog helemaal intact: hij wordt hoogleraar aan de New York State University.

„Zodra de rust in Irak terugkeert, ga ik ook weer terug”, vertelt hij vrijdagochtend – terwijl achter hem klassen geüniformeerde schoolkinderen kwetterend langs de oudheden in het British Museum rennen. Het signaal om te vluchten kwam van twee kanten. Een van zijn zoons was met de dood bedreigd. George: „Ze zeiden: ‘We weten dat je vader samenwerkt met de Amerikanen’. Dat staat gelijk aan: onmiddellijk liquideren.” George stuurde zijn zonen, moeder en zusters het land uit. Zelf kreeg hij kort daarop bericht van zijn superieuren dat hij weg moest als voorzitter van de SBA: alle afdelingshoofden van het ministerie van Toerisme en Oudheden moeten tegenwoordig moslims zijn. „Daarop heb ik vervroegd pensioen aangevraagd. Binnen drie uur had de minister de aanvraag persoonlijk goedgekeurd. Ik kon mijn auto verkopen zodat ik wat geld had, mijn twee huizen heb ik afgesloten en ik ben naar Damascus gevlogen.”

Het ministerie van Toerisme en Oudheden was in 2004 onder islamitische druk bedacht door de nieuwe regering en het wordt geleid „door mensen die bijna niets van archeologie weten”, aldus George. In feite gaat het om het ministerie van Islamitische Pelgrimstochten en Islamitische Oudheden. Toerisme bestaat haast niet, pelgrimstochten des te meer. En wat de Islamitische Oudheden betreft: Donny George streed jarenlang tevergeefs tegen de eenzijdige binnenlandse beeldvorming over de Iraakse geschiedenis.

„In het museum in Bagdad wordt de periode van omstreeks 150 na Chr. tot de komst van de Arabieren en de islam met één vitrine weergegeven! Irak was in die eeuwen namelijk overwegend christelijk. Dat was al zo toen ik directeur werd, en ik heb het zo gelaten omdat het museum toch al jaren gesloten was en is voor het publiek, om verdere plunderingen te voorkomen.”

Ander voorbeeld van hetzelfde idee: „Een paar jaar geleden vonden we een christelijk klooster en een kerk in Tikrit. Ik kreeg van Saddam persoonlijk bevel dat we wel mochten opgraven maar dat ik er onder geen beding over mocht publiceren of de vondsten mocht tonen.”

George ziet een directe connectie tussen die mentaliteit en de plunderingen. „Voor een groot deel van de Iraakse bevolking zijn de niet-islamitische culturen van Mesopotamië zoiets als buitenaardse beschavingen. Nu horen schoolkinderen daar gedurende één jaar wat over, rond hun twaalfde. Ik heb er jarenlang bij het ministerie van Onderwijs voor gepleit om daar drie of zes jaar van te maken. Maar nee, een jaar vonden ze genoeg. Daarvoor en daarna krijgen de kinderen alleen te horen over Arabieren en de islam. Als je op scholen goed onderwijs geeft over alle oudheden van Irak, werkt dat door van de kinderen naar hun families. En ik weet zeker: dan zou niemand oudheden vernietigen of stelen.”

De voornaamste binding tussen gewone Irakezen en de antieke artefacten is financieel. Een Sumerische kleitablet doet op de markt een dollar of tien (en makkelijk 10.000 in Amerika of Japan). De afkeer van het landelijke regime, dat onder Saddam en ook nu de oudheden poogt te beschermen, wekt ook geen liefde voor de oude resten.

In 2004 bedacht Donny George daarom dat er een speciale politie nodig was, zoals Irak al had voor olie-infrastructuur, elektriciteit en voor de spoorwegen. Die oudheden-politie kwam er en telt nu 1.400 agenten, direct ressorterend onder het ministerie van Cultuur. Japan leverde 45 auto's (acht werden onderweg van Jordanië gestolen), Amerika 15 (vijf gestolen) en Tsjechië wapens. Dat is allemaal veel te weinig, maar het goede nieuws is dat het werkt.

George: „Als de politie op een locatie arriveert, volgen er soms vuurgevechten met de plunderaars, maar onze mensen winnen vrijwel altijd. Het probleem is dat de plunderaars dan naar een volgende plaats gaan. Als er geld komt om sterk uit te breiden en de uitrusting te verbeteren, kunnen de plunderingen goeddeels worden stopgezet.” Nu is er net één politieagent voor elke tien archeologische locaties, dus er is wel wat versterking nodig.

Nog een lichtpunt: tot de dag dat George Irak verliet, zijn er 16.766 objecten van plunderlocaties teruggebracht bij het museum in Bagdad en de twaalf provinciale musea. „Dat is goeddeels te danken aan de Iraakse Jeugdorganisatie. Ze hebben een afdeling Bescherming van Oudheden opgericht die zoekt op plaatselijke markten en koopt wat ze daar aantreffen.”

Een open vraag, ook voor George: hoe veel oudheden zijn er niet teruggevonden en zijn inmiddels doorgesluisd naar het buitenland? Heel erg veel, en hun aantal groeit.