‘Ik ben altijd in gesprek met mijzelf’

Dichter Willem Barnard (86), beter bekend als Guillaume van der Graft, trad gisteren in Utrecht op met zijn zoon Benno. „Wat weet die jongen veel!”

„Guillaume van der Graft? Leeft die nog?” Dichter Ruben van Gogh memoreerde hoe dit de afgelopen decennia verschillende malen en met verbazing was geroepen. Over het antwoord behoeft geen twijfel te bestaan. Gisteren trad de inmiddels 86-jarige Van der Graft, echte naam Willem Barnard, samen op met zijn zoon, essayist en dichter Benno (1954). In het sfeervolle Utrechtse café Van Wegen en gezeten achter een afgedekte biljarttafel.

„Net op het moment dat ik die naam wilde afschaffen, moest hij zo nodig de literatuur in”, spotte Van der Graft. Vader Barnard had „onnoemelijk spijt” van zijn pseudoniem. Hij koos het in de oorlog, nadat een neef met dezelfde naam hem had geïntroduceerd bij De Parade der Profeten – het ondergrondse literaire tijdschrift waar in 1944 ook W.F. Hermans debuteerde.

Van der Graft is een naam uit het verleden – een selectie uit zijn oeuvre stamt uit 1997 en sindsdien verscheen er geen nieuwe bundel poëzie. Dat zijn naam wegzakte zal ook veroorzaakt zijn door de religieuze inbedding van zijn werk. Dat maakte de toenmalige predikant al tijdens zijn leven onmodieus. Gedichten schrijft hij nog steeds. Dat gaat vanzelf: „Het is als het snuiten van je neus.” De laatste jaren publiceerde hij zijn dagboeken en een bundeling van zijn liefdesgedichten, dat wel nieuw werk bevatte.

Als dichter hing hij tussen Nijhoff en de Vijftigers: hij was een typische eenling. „De Vijftigers? Die jongens kende ik wel, maar ik wilde niet bij een groep horen, niet bij een wereldje.” Zijn eigen verklaring luidde dat hij enig kind was: „Dat is een lot. Dan ben je altijd in gesprek met jezelf.” Dichten noemt hij dan ook „een dialoog met de stilte.”

„Mijn vader is een echte lyricus, ik denk ook in mijn poëzie”, vatte zoon Benno het verschil tussen hen bondig samen. Hij had uit een vorig jaar verschenen bundeling van zijn werk zelfs zeventig gedichten geschrapt, omdat het „ernstige gevallen van lyriek waren.” Een ander verschil is dat zoon gefascineerd is door de oorlog, terwijl Van der Graft stilviel als zijn gevangenschap in Berlijn aan de orde kwam. Zijn oorlogsdagboeken gaf hij aan zijn zoon, die ze opnam in zijn boek Eeuwrest.

Wat de vader van zijn zoon verbaasde was zijn onstellende belezenheid: „Wat weet die jongen veel!” Zelf kon hij geen twee, drie zinnen van Kierkegaard of Hermans achtereen lezen. „Dan krijg ik zelf alweer een gedachte die ik zonodig moet noteren.”

Al gedichten lezend en inleidend, sprong Van der Graft vervolgens door zijn leven. Zijn beroemdste gedicht, ‘Schrijvenderwijs’, in 1953 geschreven, in een gastenboek, in één ruk: ‘Schrijvenderwijs was ik ingeslapen/ schrijvenderwijs werd ik wakker bij nacht/ omdat er woorden stonden te blaten/ onder het open raam waar ik lag’.

Over een gedicht uit 1955: „Ik werd zo verschrikkelijk verliefd op mijn vrouw, met wie ik al negen jaar getrouwd was, werkelijk het bestaat, houd moed!’ Die nieuwe vurigheid leverde een gedicht op met zuchtende regels als ‘Nog nooit zijn de nachten zo warm geweest’.

Hij las een gedicht van na „de gelukkige jaren zestig”, toen hij in het sanatorium belandde wegens depressies. En pendelde terug naar 1963, naar een gedicht over de ‘popelende zee’: „Dat ging natuurlijk over de geslachtsfuncties van de mens.” Tot slot las hij een gedicht met een wenk voor na zijn einde: ‘Denk mijn naam wanneer ik dood ben, maar roep mij niet.’