Homofobie

Ik lees dat een nieuwe organisatie, de John Blankenstein Foundation, genoemd naar de openlijk homoseksuele en recent overleden scheidsrechter, campagne gaat voeren om homoseksualiteit in de sport bespreekbaar te maken, te beginnen in het aartsconservatieve en homofobe voetbalbolwerk.

Een recent gepubliceerd onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau geeft als uitkomst dat van de naar schatting 600.000 sportende homo’s en lesbiennes in dit land de helft hun geaardheid geheimhoudt. Het percentage openlijke homoseksuelen onder topsporters is miniem. Wat zegt deze laatste uitkomst? Er zijn heel wat homoseksuele topsporters die hun geaardheid geheimhouden, of er zijn gewoon weinig homoseksuele topsporters.

Ikzelf ben gevormd en misvormd in het wielermilieu van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Homofobie was ons vreemd. Waarschijnlijk omdat het ons aan homo’s ontbrak. Er was ruimte voor seksuele aberraties, dat geef ik toe, maar van openlijk beleden herenliefde in mijn peloton heb ik geen voorbeelden. Maar wij hadden wel Harrie Jansen, eerst pr- manager van PDM, later van de Buckler-wielerploeg. Harrie was oud-prof mét coming-out status. Niemand die er aanstoot aan nam.

Niet zo lang geleden sprak ik langdurig met hem over de Griekse beginselen in het wielrennen. Harrie somde een paar namen op, coureurs verspreid over een paar generaties, van wie hij vermoedde dat hun huwelijkse staat op seksueel drijfzand berustte. Ikzelf herinnerde me opeens de ploegleider van een amateurploeg die af en toe de neiging had bij een van zijn pupillen onder de lakens kruipen; de ploegleider die bovendien een pupil in huis had genomen die zijn echtgenote moest ‘bijhouden’. Harrie kende dan weer een paar soigneurs die zeer liefdevol kapot gereden spieren konden masseren. Al pratende concludeerden we dat de al dan niet openlijke homoseksueel zich vooral rond de wielrenner ophield.

Ik vroeg Harrie die van twee wielergeneraties eerder is, hoe hij zich had kunnen handhaven in de praktijk van alledag. Had ik bijvoorbeeld zelf het hoofd koel kunnen houden als ik opeens tussen twintig naakte, wasemende, vrouwen onder een gemeenschappelijke douche had gestaan?

O, dat was nooit een probleem, zei hij. De fixatie van de macho hetero op de maten van andermans geslacht was stuitender. Tussen kampioenen en waterdragers heb ik gestaan, helemaal naakt – iedereen naakt, een penis in een peloton penissen. De trots van een man, toch al geen esthetisch hoogstandje, welke urenlang heeft klemgezeten tussen zadel en schaambeen biedt absoluut geen vertroostende aanblik meer. Ik herinnerde me vooral de verwondering: dat deze apparatuur in staat is nageslacht te verwekken.

Op z’n drieëntwintigste besloot hij tot een coming-out. Gek genoeg sloeg er geen bom in. Hij bleef wielrenner onder de wielrenners. Maar de coming-out had een andere, verschrikkelijke implicatie: hij kon niet meer winnen. De frustratie die hem voorheen tot brandstof had gediend was opeens weg, opgelost. De homo had de wielrenner de nek omgedraaid.