Dokter Hadi kan niet meer terug naar Bagdad

Uiteindelijk is dokter Hadi uit Bagdad naar het veiliger Noord-Irak gevlucht. Alles zou goed komen in Irak na de Amerikaanse invasie, verwachtte hij, maar alles ging fout.

De man die op het huis van dokter Zuheir al-Hadi (66) in een sunnitische wijk in Bagdad paste, is doodgeschoten. „Ze klopten op de deur en schoten hem gewoon neer”, zegt Al Hadi, nog steeds verbaasd over zoveel onmenselijkheid. Zoals zoveel Iraakse artsen is hij de hoofdstad ontvlucht. Vanuit een gehuurde woning in de Koerdische hoofdstad Arbil kijkt hij terug op een bewogen leven.

Het is moeilijk om dokter Hadi, een shi’iet, niet sympathiek te vinden. Zijn Britse Engels verraadt een opleiding in het land van de voormalige kolonisator van Irak. Zijn stropdas, trui met ruit en jasje staan voor degelijkheid. Hij is een gentleman, een van de weinigen die nog over zijn in Irak.

In het Bagdad van 1963, in wat nu een zorgeloos tijdperk lijkt, studeerde de jonge Hadi glansrijk af in de medicijnen. De islam speelde nog geen belangrijke rol in het publieke leven. Irak wilde, net zoals veel andere Arabische landen, seculier zijn en op het Westen lijken. Aan de oevers van de Tigris vermaakten mannen en vrouwen zich tot diep in de nacht in de vele restaurants.

„We konden ons niet voorstellen dat ons leven ooit zou veranderen”, zegt Hadi nu. Politiek was iets voor een minderheid. In 1969 ging hij verder studeren in Londen. „De dinar was meer waard dan het westerse geld, ik was een rijk man.” De arts die hem zijn studieplaats gaf in het ziekenhuis van Edinburgh verkoos Hadi boven een concurrent uit India. „Omdat hij Irakezen zo betrouwbaar vond.”

Als chirurg vloog Hadi naar Libanon en reed van daaruit met een nieuwe Vauxhall terug naar huis. „Ik werkte een jaar in Falluja, waar destijds heel vriendelijke mensen woonden [Falluja is nu een moslimextremistisch bolwerk, red.]. Ik kocht een huis in Bagdad. Tegenwoordig blijkt dat in een sunnietenwijk te liggen, Amaria. Daar is nu een etnische zuivering aan de gang. Niet-sunnieten worden allemaal weggejaagd.”

De getalenteerde Hadi startte een medische universiteit, die na 1979, toen Saddam Hussein president werd, de naam van de nieuwe leider kreeg. Oorlog met Iran brak uit. Als Saddam Hussein naar het front ging, reisde Hadi – als medisch specialist – mee met de leider. „We zagen hem nooit, maar stonden altijd standby.” Nabij Basra opereerde hij tientallen soldaten. „Maar er waren er honderden die we niet konden redden.”

Na acht jaar eindigde de Iraans-Iraakse oorlog en het land zuchtte van opluchting. „Alles was op in Irak, we waren blut. Maar toen er weer een oorlog kwam, en Saddam Koeweit binnentrok, voelde ik aan dat het nog veel erger zou worden.”

De arts zag hoe de soldaten terugkeerden met auto’s, magnetrons en televisies uit het Golfstaatje. Veel kreeg hij er verder niet van mee op het staatsnieuws. Maar al snel werd duidelijk dat de Amerikanen en hun coalitiegenoten een geweldig leger aan het opbouwen waren langs de Koeweitse grens. „Toen ze uiteindelijk kwamen, is Irak vernietigd; we zijn gebroken. Daarna was alles vreselijk.”

Zijn vier kinderen vertrokken één voor één naar Groot-Brittannië en Ierland. „Waar ze nu allemaal arts zijn”, zegt Hadi vol trots. Maar hij bleef achter in ziekenhuizen waar vrijwel niets voorradig was. „Zo goed en kwaad als het ging leefden we door. In de praktijk konden we niet opereren. Zelfs de lakens op de operatietafel waren vies en tweedehands.” Maar Hadi wilde niet vertrekken. „Mijn familie woont al 700 jaar in Bagdad. Ik wilde blijven.”

Via zijn illegale satellietschotel begreep de arts dat de wereld heel snel veranderde na 11 september 2001. „Ik wist dat ze zouden komen. We wisten het allemaal. Ik was dolgelukkig.” Hij zwaaide in 2003 naar de Amerikanen in de straten van zijn geliefde stad. „Amerika was gekomen om ons te redden. We waren vrij.”

Alles zou goed komen, zo dacht hij. Maar alles ging fout. „De patiënten bleven aardig, maar plotseling gingen mensen religieuze vragen stellen. Wat mijn geloof was, waar ik woonde. Dat was zo vreemd. Ik heb ons altijd als Irakezen gezien, niet als shi’ieten of sunnieten. Niemand vroeg me dat ooit.”

Vorig jaar, het was 22 september, reed hij naar zijn werk in het Yarmouk-ziekenhuis. Veel van zijn collega’s waren al uit Bagdad vertrokken, maar hij bleef gaan. Hadi wilde de mensen niet in de steek laten. Vlak voor een Amerikaans checkpoint ontplofte een mortiergranaat. „Maar de soldaten begonnen op mij te schieten. Ik dook achter het stuur, maar er zat glas in mijn hele gezicht en ik bloedde vreselijk. Ik had dood moeten zijn.”

Een onbekende man bracht hem naar het ziekenhuis en later naar zijn woning. De man liet zijn auto achter om Hadi, die in shock was, te helpen. „Zulke mensen zijn er dus ook nog in Bagdad.”

Hadi’s kinderen eisten dat hij naar Engeland kwam voor behandeling. Zijn tweede vrouw vluchtte naar het relatief veilige Noord-Irak. „Nu wonen we hier”, zegt Hadi. „Ons huis in Bagdad is helemaal leeggestolen. We hebben niets meer. En we kunnen niet terug want de wijk is gezuiverd van shi’ieten.”

Maar de arts is niet bij de pakken neer gaan zitten. „Samen met een aantal andere gevluchte collega’s uit Bagdad zijn we een kliniek begonnen”, vertelt hij. Iedere middag helpt hij Koerden die dolblij zijn dat er goede artsen in Arbil zijn neergestreken.

„Het was een ontnuchtering toen ik in Engeland kwam na de schietpartij. Men behandelde me alsof ik een terrorist was. Ik werd overal afgeblaft. Dat terwijl ik ze vier specialisten heb geleverd. De wereld zou zo niet moeten zijn. Wat men in het Westen niet beseft, is dat wat ze op televisie zien in Irak echt gebeurt. Alsof wij Irakezen acteurs zijn in een slechte film. Maar wij zijn mensen, net als u.”