Ali keert terug in de stad van Cassius Clay

Het Muhammad Ali Center in Louisville bestaat een jaar.

De kans dat je daar The Greatest tegen het lijf loopt, wordt steeds groter.

The Greatest – het voelt alsof hij elk moment naast je kan staan. Hij is overal, in z’n eigen museum dat meer is dan een museum en daarom het Muhammad Ali Center wordt genoemd. Na de Kentucky Derby, de grootste paardenrace in de Verenigde Staten elk jaar in mei, is het Ali Center de grootste publiekstrekker van Louisville, de stad die al langer een Muhammad Ali Boulevard kent. De Amerikaanse vereniging van reisjournalisten riep het zes verdiepingen tellende Ali Center, waaraan de legende zelf meebetaalde, onlangs uit tot ’s lands beste nieuwe attractie.

In het complex van tachtig miljoen dollar kun je films van vijftien oude bokspartijen van Ali activeren, door een schermpje met een afbeelding van de toegangskaart van de betreffende wedstrijd aan te raken. Er zijn talloze foto’s uit zijn turbulente periode als profbokser, vele onderscheidingen, attributen zoals de wandelstok die Ali in 1974 rond zijn gevecht tegen George Foreman cadeau kreeg van de Zaïrese dictator Mobutu, en overal hoor je zijn stem. Die van de luidruchtige Cassius Clay, de Louisville Lip. En die van Muhammad Ali, de tot de moslim bekeerde bokser die de islam aanprijst, die in 1967 weigert in Vietnam te gaan vechten en vervolgens z’n wereldtitel in het zwaargewicht wordt ontnomen en drieënhalf jaar de ring niet in mag, en die uitgroeide tot een door de Verenigde Naties benoemde ‘boodschapper van de vrede’.

Vietnam houdt hem nog steeds bezig. De directeur van het Center, de 60-jarige Michael J. Fox, had vorige maand een onderhoud met de ambassadeur van Vietnam in de VS. Ali had tijdens een bezoek aan Vietnam in 1994 een poging gedaan Amerikaanse krijgsgevangenen vrij te krijgen die nog in de regio zouden worden vastgehouden – volgens Fox een zeventigtal. De Vietnamezen beloofden hun best te doen, maar het bleef stil. Toen Fox hoorde dat de ambassadeur van Vietnam Louisville zou aandoen om investeringsmogelijkheden in Kentucky te onderzoeken, vroeg hij de diplomaat langs te komen, om de zaak opnieuw aan te kaarten.

Vanuit het Ali Center kijk je uit over de brede rivier de Ohio – met raderboten – die Kentucky van Indiana scheidt, en zie je vlakbij, aan de rechterkant, de brug waar de jonge bokser volgens een niet op feiten gebaseerd verhaal in 1960 zou hebben gestaan om zijn pas veroverde gouden olympische medaille in het water te gooien omdat zelfs een olympische titel geen garantie was om met respect te worden behandeld in de stad waar hij in 1942 werd geboren. Cassius Marcellus Clay mocht dan als 18-jarige in Rome olympisch kampioen zijn geworden, bij terugkeer in Louisville werd hij gewoon weer op zijn huidskleur beoordeeld. In een deels nagebouwde entree van een restaurant in het Center hoor je een winkelbel rinkelen, gevolgd door de stem van de blanke bedrijfsleider: „We don’t serve your kind in here. Get out!”

Na de Olympische Spelen van 1960 werd Clay prof en nog datzelfde jaar vertrok hij naar Florida. De boksschool in Miami van trainer Angelo Dundee werd de uitvalsbasis voor een bijzondere carrière.

Al decennia woont Ali op een landgoed in Michigan. Maar binnenkort, zesenveertig jaar na zijn vertrek, keert hij terug naar Louisville, de stad waar afgelopen weekend een jaar geleden het naar hem genoemde complex werd geopend, met vele prominente gasten onder wie oud-president Bill Clinton en de Britse ex-wereldkampioen zwaargewicht Lennox Lewis. Sindsdien bezochten ongeveer 85.000 mensen het Ali Center.

De Rolling Stones, generatiegenoten van de bokslegende, kwamen hier in september nog even binnen, vertelt Billy Mask, de 36-jarige ‘retail store manager’ die in het Center de winkel met Ali-souvenirs, boeken, dvd’s en kleding runt. Alleen Mick Jagger was er niet bij. Mask verwelkomde ook oud-tegenstanders van Ali, zoals Ken Norton, aan wie Ali in 1973 zijn titel verspeelde. Pas geleden was de vroegere arts van Ali hier nog, Ferdie Pacheco, de man wiens advies in 1975 om te stoppen door de bokser in de wind werd geslagen. Ali ging door tot december 1981. Vlak voor zijn veertigste verjaardag bokste hij z’n laatste partij. Hij verloor van de vorige maand op Jamaica vermoorde Trevor Berbick. Kort nadat hij was gestopt, werd bij Ali de ziekte van Parkinson vastgesteld, wellicht een gevolg van de klappen die hij aan het eind van zijn carrière had opgelopen. Pacheco signeerde in de Ali-winkel exemplaren van zijn autobiografie, ‘Blood in my coffee’.

Ali was een maand geleden voor het laatst in Louisville, om een bod te doen op een huis, vertelt directeur Fox. In de stad waar hij werd geboren, wil Ali ook sterven. „Hij wil zoveel mogelijk tijd doorbrengen in het Center. Zo vaak als z’n gezondheid het toelaat”, aldus Fox, die op dezelfde dag jarig is als Ali, en hem één keer zag boksen, als amateur. „Hij loopt hier graag rond, omdat hij het liefst onder de mensen wil zijn. Meet and greet. En als hij vermoeid is, trekt hij zich hier terug in z’n eigen suite.”

Afgelopen jaar bracht Ali gemiddeld één keer per maand een bezoek aan zijn eigen tempel, een frequentie die hij zal opvoeren als hij eenmaal naar Louisville is verhuisd.

Ali heeft altijd een zwak gehad voor kinderen. In het Center kunnen ze kennismaken met zes waarden die Ali uitdraagt: respect, vertrouwen, overtuiging, toewijding, geven en spiritualiteit. Een kwart van het Center is onderwijsgericht; er zijn twee klaslokalen en een collegezaal. Bijzonder is ‘de muur van hoop en dromen’; 5.000 tegeltjes beschilderd door kinderen uit 141 landen.

In het complex wordt de laatste hand gelegd aan een bibliotheek waar Ali’s archieven een plek zullen krijgen. Die verhuizen binnenkort mee vanuit Michigan, met Ali en zijn vrouw Lonnie, die zondag – op haar twintigjarige trouwdag – met ruim 7.000 andere bezoekers de eerste verjaardag van het Center beleefde.

Ali lijdt al zo’n 25 jaar aan de ziekte van Parkinson. Fox: „Hij kan alleen nog maar fluisteren, moeizaam, en verder communiceert hij door oogcontact, een omhelzing...”

Nog niet zo lang geleden ging het gerucht dat Ali stervende was. Een tabloid in Florida publiceerde een foto van de oud-bokser die er slecht uitzag, met de mededeling dat het einde nabij was. Ali zou nog maar een paar dagen te leven hebben, luidde het nieuws. „Een smerige streek”, zegt directeur Fox. De telefoon in het Ali Center stond roodgloeiend, en steeds vertelde Fox dat het ook weer niet zo slecht ging met The Greatest, die in januari 65 hoopt te worden. Er is een bescheiden feestje gepland, en daar is in het Ali Center alle ruimte voor. De bovenste verdieping wordt regelmatig verhuurd voor bruiloften. Fox: „Hoeveel dat kost? Het is in elk geval veel goedkoper dan een scheiding.”

Maar vanzelfsprekend draait het om de sportman, de mens en zijn idealen in het Ali Center, gelegen tussen de rivier en Main Street, waar hij in 1960 als olympisch kampioen, tijdens een feestelijke intocht, vanuit een open auto zwaaide naar stadgenoten. ‘Welcome home Cassius Clay’, was destijds op borden te lezen bij Clays triomfantelijke terugkeer uit Rome. Als Ali voorgoed naar zijn geboortestad terugkeert, kunnen de inwoners borden maken met een variant op die tekst: ‘Welcome home Muhammad Ali’.

Voor meer informatie kijk op www.alicenter.org of code 00729 naar 7585