Religie verdwijnt niet door haar te verwensen

Religie in het publieke leven stelt ons zeker voor uitdagingen. Maar ze laat zich niet verbannen, hoezeer seculiere denkers daar ook op aandringen, meent James Kennedy.

Jonathan Israel is een groot historicus. Het is daarom opmerkelijk en tegelijkertijd teleurstellend dat hij in zijn recente lezingen in Nederland en in het artikel dat hij schreef in de bijlage Opinie & Debat van zaterdag 11 november) zo ahistorisch te werk gaat.

In de eerste plaats interpreteert Israel de recente geschiedenis op basis van een statisch dualisme: de vrijheid van meningsuiting van het vrijdenkende individu (in bondgenootschap met een goedaardige staat) tegenover de beknellende banden van religieuze instanties, de clerus en hun theologische opvattingen. Georganiseerde religie is volgens hem per definitie hiërarchisch, ze is op macht belust en maakt misbruik van de ‘gevoelens’ van naïeve gelovigen om haar machtspositie in de maatschappij veilig te stellen.

Deze tweedeling tussen individu en clerus, tussen de vrije gedachte en religieuze gevoelens, is, zo meent Israel, onwrikbaar en beladen met een manicheïsch soort moralisme: het is voor hem schijnbaar een gevecht tussen Goed en Kwaad, tussen een toekomst vol vrijheid en ‘politieke en sociale catastrofe’ als toegegeven wordt „aan beweringen dat religieuze gevoelens het hoogste goed in de samenleving zijn”.

Je hoeft er niet van overtuigd te zijn dat religie goed is voor de samenleving om te zien dat Israels tweedeling problematisch is. In de eerste plaats verandert religie voortdurend. Je kunt haar niet vastpinnen als een stroming die in elke periode hetzelfde doel nastreeft.

Religie kan aanleiding geven tot tirannieke overheersing, maar ook tot vrijheid (denk aan de ‘profetische’ religie van de Civil Rights Movement); tot losgeslagen emoties, maar ook tot kritische reflectie en tot verzet tegen de inperking van vrijheid door de moderne staat. Religie, theologie en kerkelijke instanties zijn niet per definitie hét bindmiddel in de samenleving, maar ook niet dé vijand van het vrije individu.

De werkelijkheid is minder statisch dan Israel die beschrijft. Het klinkt daarom in deze ontkerkelijkte en geïndividualiseerde wereld vreemd om de macht van ‘de clerus’ als de voornaamste bedreiging van de vrijheid van meningsuiting te zien, zonder de dominante invloed van de markt en met name de overheid in ogenschouw te nemen.

De moderne seculiere staat van de twintigste eeuw is – om het zacht uit te drukken – niet altijd de vriend geweest van het vrije individu.

Het tweede ahistorische element in Israels betoog is de manier waarop hij de filosofie van Spinoza neerzet als dé intellectuele traditie waarop individuele vrijheden – en zelfs de moderniteit – is gebaseerd. Spinoza heeft een belangrijke rol gespeeld in het intellectuele leven van de moderne geschiedenis.

Maar de westerse vrijheden vinden hun oorsprong niet alleen in Spinoza, maar in allerlei bronnen. En je kunt je afvragen hoe belangrijk filosofie eigenlijk is geweest in de praktische vormgeving van westerse vrijheden in het algemeen en de Nederlandse tolerantie in het bijzonder.

Deze tot voor kort opzienbare vrijheid en tolerantie in Nederland was geen uitwerking van een filosofisch programma, maar was een soms in filosofisch opzicht onnavolgbare zoektocht naar een modus vivendi in een hopeloos pluriforme samenleving. Dat geldt ook voor de periode na de Tweede Wereldoorlog, toen de ideeën van Spinoza volgens Israel navolging kregen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat Nederlanders hun reputatie kregen, omdat zij niet leefden vanuit het idee dat er absolute rechten bestonden of omdat zij nooit een rangorde aanbrachten binnen deze rechten.

Als wij zouden doen wat Israel wil, dan zou de Nederlandse maatschappij veel minder vrijblijvend moeten worden ingericht dan tot nu toe het geval is geweest en moet er dwang worden uitgeoefend om de publieke participatie van religieuze minderheden volledig aan banden te leggen. Ik vraag me af of dit op de lange termijn de reputatie van Nederland als een verdraagzaam land goed zal doen, en ik betwijfel of dit een betrouwbare basis kan vormen voor Israels hoogste doel, de vrijheid van meningsuiting.

Israel maakt deel uit van een groter gezelschap dat, gealarmeerd door de hernieuwde interesse in religie en vooral fundamentalisme, dit religieuze varkentje wel eens zou willen wassen. Hij wil maatregelen nemen waardoor het onmogelijk wordt dat „religieuze gevoelens of theologische criteria een blijvende invloed krijgen op de huidige politieke en algemene cultuur”.

Dat is een moeilijke opdracht en naar mijn mening een onbereikbaar ideaal. Dan heb ik het niet in de eerste plaats over de constitutionele veranderingen die zullen moeten plaatsvinden in Nederland, maar over de enorme dwangmaatregelen die nodig zullen zijn om religieuze groeperingen te verbieden invloed uit te oefenen op de Nederlandse samenleving.

Religie laat zich niet verbannen uit het publieke leven door de collectieve wil van dit gezelschap seculiere denkers. Religieuze gevoelens en religieuze organisaties zullen altijd manieren vinden om weer op te duiken en niet altijd op een voorspelbare of aanvaardbare manier voor de mensen die religieus dogmatisme vrezen.

Het uitvoeren van Israels wens om standbeelden op te richten voor Spinoza en Bayle – is dit een teken van Israels eigen behoefte aan een ‘civil religion’? – zal een koud kunstje zijn vergeleken met het onderdrukken van religious dissent.

Religie in het publieke leven stelt ons zeker voor uitdagingen. Maar religie zal niet verdwijnen door haar te verwensen, noch zal de vraag hoe wij allen vredig kunnen samenleven kunnen worden beantwoord door laatdunkend neer te gaan kijken op de religieuze gedachten van andersdenkenden.

Wat ons allen voor ogen moet staan, is het toekennen van dezelfde rechten aan alle mensen, waaronder ook het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit zou kunnen betekenen dat wij in de bres moeten springen voor hen die religie publiekelijk en heftig bekritiseren en daarom in conflict komen met religieuze groeperingen wier diepste overtuigingen aangevallen worden.

Maar tegelijkertijd leert de geschiedenis ons dat traditionele religie niet als enige schuldig is aan het onderdrukken van afwijkende meningen door ideologisch dogmatisme of de tirannie van de meerderheid. Ook de aanhangers van verlichte filosofen kunnen er wat van.

James Kennedy is hoogleraar contemporaine geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij schreef o.a. ‘Nieuw Jeruzalem in aanbouw: Nederland in de jaren zestig’ (1995).

Vandaag op nrc.nl/opinie het eerste Opiniedossier: per thema gerangschikte spraakmakende artikelen die eerder zijn verschenen op de Opiniepagina’s van NRC Handelsblad

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Religie verdwijnt niet door haar te verwensen (20 november, pagina 7) wordt James Kennedy auteur genoemd van Nieuw Jeruzalem in aanbouw: Nederland in de jaren zestig. Het boek heet echter: Nieuw Babylon in aanbouw: Nederland in de jaren zestig.