Nicholson

Om de zinnen te verzetten na alle verwarrende berichten over martelingen door onze jongens in den vreemde, toog ik naar The Departed, de nieuwe film van Martin Scorsese. Dat had ik beter niet kunnen doen. Met een posttraumatische stress-stoornis kwam ik de bioscoop weer uit. Elke vijf minuten een zinloze, gruwelijke moordpartij, dat red ik niet meer, daar moeten je zenuwen kennelijk nog jong en onbelast voor zijn.

Scorsese zou lachen om die skibrillen, straaltjes water en achtergrondruis waarmee ‘wij’ Iraakse gevangenen onder druk zetten. Arresteren, verhoren, pardon, ‘vragen stellen’? Fuck you! Een pistool tegen dat hoofd en knallen! Zo doe je dat tegenwoordig in een Amerikaanse speelfilm die een kassucces moet worden. Eigenlijk wordt in die hele film geen normaal, zinnig woord gewisseld; iedereen snauwt, brult en bralt, als-ie niet knalt.

Ik was er ook heengegaan om Jack Nicholson weer eens te zien, zo ongeveer de enige acteur die me nog louter op grond van zijn reputatie naar de bioscoop krijgt. Maar ook hij stelde me teleur. Op zijn routine knalt hij zijn partijtje mee, maar meer dan twee, drie glimlachjes kon hij me niet afdwingen. Hij blijft ver verwijderd van de schitterende schurkenrollen van Marlon Brando, vroeger zijn vriend, buurman en grote voorbeeld.

Only in it for the money, zong Frank Zappa al.

Thuis las ik het interview in Rolling Stone dat Nicholson naar aanleiding van The Departed gaf. Had ik óók niet moeten doen. Sommige idolen kunnen op hogere leeftijd – Nicholson is negenenzestig – maar beter met rust worden gelaten. Nicholson blijkt een parodie van zichzelf geworden. Misschien had hij vroeger ook niets te zeggen, maar toen deed hij in ieder geval nog wel zijn best om het tegendeel te suggereren.

De interviewer, Erik Hedegaard, introduceert hem als de enige filmster van de oudere generatie, die zich volledig staande heeft gehouden, ook vergeleken met collega’s die als acteur zijn gelijke waren, zoals Al Pacino, Robert De Niro en Dustin Hoffman. Nicholson is zowel een filmster als een culturele icoon, constateert Hedegaard.

Dat klopt, er blijft alleen in zulke interviews zo weinig van die icoon over. Nicholson heeft niets te melden, noch over de wereld, noch over zijn vak, hij komt niet verder dan wat koket gebabbel over zijn, zo lijkt het wel, zo langzamerhand enige tijdpassering: seks.

Hij heeft bij verschillende vrouwen wat kinderen op de wereld gezet, maar nu is hij weer alleen, zodat hij afgelopen jaar onbelemmerd „het gebied kon bestrijken van vrouwen van eenentwintig tot eenenzestig”.

Heeft hij zelf wel eens een condoom gekocht, vraagt de interviewer. „Nooit”, zegt Nicholson. „Maar als ik een pornofilm of zoiets nodig heb, doet mijn staf dat soort boodschappen voor me.” Hij stelt het op prijs als de vrouwen in zijn bed hem ‘Jack’ noemen, iets wat ze nog wel eens vergeten – waardoor het kennelijk wel erg leeg om hem heen wordt.

Verder slaat Nicholson in dit interview herhaaldelijk zulke wartaal uit dat de interviewer tegen zijn lezers moet zeggen: ik denk dat hij dit of dat bedoelt.

Laten we de mens Nicholson verder maar vergeten. Hij is een verwend, onverteerd restje jaren zestig geworden. Haal Five Easy Pieces uit de videotheek – en zie een groot acteur.