Liedjes zijn net als vogels, vang ze levend

Vandaag verschijnt een verzamelbox met 56 liedjes van Tom Waits.

Een gesprek met de singer-songwriter in Californië, over helden en weeskinderen.

De hordeur valt piepend terug in zijn sponning. Restaurant Little Amsterdam, aan een stoffige weg in het noorden van Californië, heeft zijn beste tijd gehad. Een schorre, wat lijzige stem vraagt om een kop heet water. Het donkere stemgeluid herken je uit duizenden. In de deuropening staat Tom Waits, met een grote pot oploskoffie onder zijn arm.

Het is een surrealistische plek, ruim een uur rijden van San Francisco. Rondom het lage, witte gebouwtje strekken vergeelde heuvels met kuddes koeien zich uit tot de horizon. Het interieur houdt het midden tussen een Amerikaanse sportsbar en een oud-Hollands café. Pooltafels en neonreclames van Budweiser worden afgewisseld met Delftsblauwe bordjes en koperen scheepsbellen. Boven het aquarium, met daarin een reusachtige albino meerval, hangt een borduursel van de Bollenstreek.

Waits, die zelf op vier mijl afstand van Little Amsterdam woont, is al jaren bevriend met de Nederlandse eigenaar, Evert Winkelman. Omdat Waits een hekel heeft aan reizen en al helemaal aan chique hotels, huurde hij voor de promotie van zijn nieuwe plaat Orphans de eettent van zijn buurman af. Zo kan hij ’s ochtends de deur uitgaan en ’s avonds weer op tijd thuis zijn voor het maal met vrouw en kinderen.

„En, wat vind je ervan?” vraagt hij zodra we zitten. Met vriendelijke kraaloogjes kijkt hij me verwachtingsvol aan. „Welk nummer vind je het beste?” Zijn assistent had me al gewaarschuwd dat Waits erg nerveus was voor de eerste reacties op zijn nieuwe plaat. Toch komt de vraag als een verrassing. Hij, de man met twee dozijn albums op zijn naam, die in films van regisseurs als Francis Ford Coppola en Jim Jarmusch schitterde, die onlangs nog als vierde eindigde in een ranglijst van de honderd beste songwriters ter wereld en wiens nummers door honderden artiesten zijn gezongen – hij, die door velen als geniaal wordt beschouwd, voelt zich onzeker?

Orphans (weeskinderen) is een verzameling van 56 liedjes, verdeeld over drie cd’s, die ieder een totaal eigen sfeer hebben. Brawlers (vechtersbazen) is de ruigste van de drie, met nummers die laveren tussen vuige garagerock en vette blues, met bijvoorbeeld Waits’ eigen interpretatie van het Ramones-nummer The Return Of Jackie and Judy en Road to Peace, een felle aanklacht tegen de oorlog in Israel. Bawlers is de gevoeligste en omvat ballades, gospels en zelfs een Keltische wals. Het eigenaardigst is Bastards, een cd vol enge verhaaltjes voor het slapen gaan – over de maan, dodelijke insecten en heksen – en met het prachtig voorgedragen gedicht Nirvana van Charles Bukowski.

Deels zijn de nummers afkomstig van eerder uitgebrachte platen maar meer dan de helft bestaat uit nieuwe opnames. Het is een plaat die je meevoert langs de saloons, de bluestenten en de rockclubs van Amerika en die onderweg zo’n beetje alle muziekstijlen de revue laat passeren. In het dikke boekje dat bij Orphans verschijnt, vergelijkt Waits het resultaat met het legen van je zakken na een avond gokken en inbreken. „Ik hou van vreemde combinaties”, schrijft hij.

Volgens Waits is het opnemen van een cd goed te vergelijken met het vangen van vogels – net zo moeilijk. „Mijn theorie is dat de liedjes er altijd al zijn. Soms verzamelen ze zich. Het gaat erom er te zijn op het moment dat ze zich groeperen. Zo niet, dan vliegen ze weer verder en komen ze op een andere plek bijeen, voor iemand anders. De kunst is om ze levend te vangen. Je kunt ze namelijk beschadigen tijdens de opnames. Dan eindig je met een mond vol losse veren.”

Tom Waits praat bedachtzaam. Zijn antwoorden zijn afgemeten, met veel stiltes tussen de woorden. Vaak spreekt hij in metaforen. Regelmatig is hij afgeleid. Door het geluid van een voorbijrazende truck. Door een torretje dat op de tafel landt en dat hij tussen zijn wijsvingers heen en weer laat rennen. Of door een pluisje dat langs waait en dat hij hoe dan ook wil vangen.

„Als schrijver ben je voortdurend op zoek naar dingen die je niet hoort te zien”, zegt hij. „Ik zal altijd de kerel vinden die tussen het onkruid ligt te slapen, ook al scheur ik met 130 kilometer per uur aan hem voorbij. Zet een man met één been in een menigte en ik zie hem. Op de een of andere manier loop ik altijd dat soort types tegen het lijf. Het idee om deze plaat Orphans te noemen, heeft daar ook mee te maken. Het zijn liedjes die over het hoofd zijn gezien. Het zijn weesliedjes. Ik heb ze geschreven toen iedereen al naar bed was.”

Met Orphans zegt Waits ook: dit zijn mijn helden. Er staan odes op aan Kurt Weill (What Keeps Mankind Alive), Daniel Johnston (King Kong), Jack Kerouac (On The Road) en Leadbelly (Fannin Street). De ene keer zingt hij hikkerig als Elvis Presley, dan weer theatraal als Frank Sinatra of hees als Bruce Springsteen. Hoewel hij al jaren droog staat, kan hij nog altijd klinken als een brallende dronkenlap die er na sluitingstijd een Ierse ballade uit-perst. Maar hij zíngt. En dat is een grote verandering ten opzichte van zijn vorige cd, Real Gone, waarop hij zijn stem inzette als beatbox.

Waits: „De meeste zangers geven slechte imitaties van andere zangers. Ze halen het nooit bij de echte. Ray Charles wilde klinken als Nat King Cole, maar realiseerde zich op een gegeven moment dat hij alleen als zichzelf kon klinken. Toen ik jong was, wilde ik klinken als Ray Charles, Elvis Presley, James Brown, Bob Dylan en John Lennon. Nu ben ik gewoon mezelf. Dat hoort bij het ouder worden.

Hij is een hopeloze romanticus, geeft Waits toe. („Ik ben sentimenteel, het is een vloek.”) En hoewel hij al een kwart eeuw gelukkig getrouwd is met Kathleen Brennan, die zijn platen produceert en meeschrijft aan zijn teksten, zingt hij ook op Orphans weer veel over verloren liefdes en ander leed. Zijn teksten gaan over moorden en gevangenissen, over ontrouw en verraad, over treurwilgen en vertrapte rozen. De maan is een graag geziene gast in zijn liedjes, en op de een of andere manier lijkt het in zijn wereld altijd te regenen. „Ik weet niet waarom dat is”, zegt Waits. „Het is gewoon waar mijn gedachten heengaan. Het land van de ellende is mijn domein, mijn territorium. Ik wilde altijd dieper, dieper en dieper omlaag.

„Mijn theorie is dat een songtekst bepaalde ingrediënten nodig heeft. Er moeten altijd een weersomstandigheid, een plaatsnaam en iets eetbaars in zitten. Liedjes zijn toverspreuken. Je probeert de luisteraars te betoveren en jouw wereld te laten betreden. Titels zijn trouwens ook erg belangrijk. Ik verzamel ze.” Hij haalt een papiertje uit zijn borstzak waarop in een kriebelhandschrift aantekeningen staan. „Kijk, deze heeft mijn vrouw net bedacht: She Stole the Blush From a Rose. Dat is al bijna een lied. Of: Life Will Be Different In Chicago. Daar kun je ook zo iets bij verzinnen. Ik heb ook al een titel voor mijn volgende cd: Sting ’m and Go. Dat wordt een rockabilly-plaat.”

Vaak vindt Waits de inspiratie voor zijn teksten in krantenberichten. Daarom staat het tekstboekje van Orphans vol met knipsels van soms een eeuw oud, die vertellen over de laatste woorden van stervende beroemdheden als Goethe en Edward IV, of over ‘nuttige uitvindingen’ als het ijzerdraad en de gesp. „Overlijdensadvertenties zijn ook erg bruikbaar”, vertelt Waits. „Dan zeg ik: over deze persoon ga ik een lied maken, nu hij er niet meer is.”

Even is het stil, en dan zegt hij opeens: „Wist je dat de eerste man op de maan, Neil Armstrong, zei dat de maan naar vuurwerk rook? Ze hadden hem gevraagd hoe het daarboven rook. Hij antwoordde: ‘It smells like firecrackers.’ Dat vind ik interessant.”

Waits staat op om een nieuw kopje heet water bij Evert te bestellen. „Ik heb erover gedacht om deze tent te kopen”, vertelt hij. „Evert zit diep in de schulden omdat hij een illegaal woonwagenkamp runde en daarvoor een flinke boete heeft gekregen. Ik dacht dat ik het restaurant zou kunnen gebruiken als opnamestudio. Maar het mag niet van mijn vrouw. Het ligt aan een doorgaande weg, zegt ze, en dan stoppen er voortdurend mensen. Nu heb ik een brief aan de sheriff geschreven met de vraag of hij de boete wil verlagen. Ik ken Evert al zeventien jaar, hij doet geen vlieg kwaad.”

Bij het afscheid vraagt Waits nog even bezorgd of ik wel genoeg heb om over te schrijven. „ Ben je al in San Francisco geweest?” Ik antwoord dat ik de vorige avond heb doorgebracht in een bar waar toevallig zijn muziek uit de jukebox schalde. „Echt waar?” Waits klinkt verrast. „Welke plaat?”

„Gun Street Girl van Rain Dogs.”

Waits begint de melodie te neuriën en terwijl we de keuken in lopen, trommelt hij op Everts vaatwerk en geeft hij met zijn raspende stem een persoonlijke toegift: „I said John, John, he’s long gone/ Gone to Indiana, ain’t never coming home.”

De cd Orphans verschijnt vandaagbij Anti (Epitaph).