Hersenmist

Vanaf de hoogste tribune in het lege stadion Bernabeu keek ik donderdagochtend vijftig meter diep naar beneden. In de dichtstbijzijnde doelmond stond weinig gras. Merkwaardig. De rijkste club van de wereld rolde geen nieuw groen tapijt uit op de werkplek van Ruud van Nistelrooy? Hij is de huidige topscorer van Real Madrid.

Via een glazen lift liet ik me langs de wand van het stadion naar beneden glijden. Langs het veld fotografeerde een toerist de cornervlag. Verderop zat een groep Turkse zakenmannen op de reservebank. Ze keken uit over het veld. It’s forbidden to touch the pitch, vertelde een bordje. Iedereen hield zich eraan.

De dag ervoor zag ik Ruud van Nistelrooy rondlopen op het nieuwe trainingscomplex, vlakbij het vliegveld. Hij slenterde in de zon het veld op, slungelachtig, in korte broek, met een vrolijke kop op het magere lijf. Hij ging met zijn volle gewicht hangen op de schouders van Guti, gaf een puntertje tegen de eerste bal die voor zijn voeten kwam en gesticuleerde met trainer Fabio Capello.

Van Nistelrooy is op zijn gemak bij Real. Hij is net vader geworden, heeft een lekker huis en scoort. In een Spaanse sportkrant stond hij met zijn twee voetbalschoenen in zijn handen, als pistolen gericht op de lens. In de kop stond iets van ‘scherpschutter’ in het Spaans. Hij scoorde vier keer tegen Osasuna en was deze week koning bij de Koninklijke.

„Als ik op de middenstip van Bernabeu wil staan, mag het deze week meteen”, zei hij na de training. Natuurlijk, hij wel. Ik keek naar beneden. In de lippen van zijn schoenen stond met blokletters RVN gestanst.

Vrijdagmiddag was ik weer in Nederland. De Hongaarse voetballegende Ferenc Puskas bleek overleden, op 79-jarige leeftijd. Acht jaar geleden probeerde ik hem op te zoeken in zijn woonplaats Boedapest. Het lukte niet. Hij had Alzheimer in zijn woning binnengelaten. Een beroemde spits die zijn eigen verleden vergeet. Hij vloog de laatste jaren door zijn eigen hersenmist. Puskas wist niet meer van schoten in de kruising, van kopballen tegen de lat.

Ik was in Madrid zo hijgerig in de weer geweest met het wel en wee van Ruud van Nistelrooy, dat Puskas’ gouden periode bij Real Madrid mij pas weer te binnen schoot toen ik beelden van hem zag in het museum van Bernabeu, tussen alle gewonnen trofeeën in. Puskas bij Real, in dat witte tenue. Al die doelpunten met zijn linkervoet. Stom, De Jong. Vergeetachtig?

Het verbodsbordje langs het veld van Bernabeu maakte me duidelijk dat het gras alleen voor voetballers is bedoeld. Real Madrid maakte zaterdagavond, vlak voor de thuiswedstrijd tegen Racing Santander, als eerbetoon aan Puskas een uitzondering: een cellist mocht het veld op, prikte de stalen punt van het instrument in het gras en speelde een treurmelodie.

Gisteravond zag ik hoe supporters van ADO Den Haag tijdens de wedstrijd het veld opstormden. De scheidsrechter staakte het duel. Ik begreep de boosheid van de fans; ik zag het hopeloze voetbal van de Haagse club, ik weet dat in de prijzenkast geen vijf Europa Cups staan en natuurlijk, het was zondag ook nog eens ‘waterkoud’ op de tribune. En toch zou ik met Madrileense arrogantie in de stem tegen de supporters willen schreeuwen dat je altijd met je poten van het veld moet blijven.