‘Gesprekken’ gingen buiten bevoegdheden

Defensiepersoneel in Irak voerde in 2003 ‘gesprekken’ met gedetineerden. Er zijn nog veel vragen. Maar vast lijkt te staan dat ondervragers hun bevoegdheden overtraden.

Het antwoord van minister van Defensie Henk Kamp leek helder. Op 28 juni 2004 sprak de minister met de Tweede Kamer over de Nederlandse troepen in Irak. Het schandaal van de Abu-Ghraib gevangenis, waar Amerikaanse militairen Irakezen hadden misbruikt en gemarteld, beheerst dan al wekenlang de voorpagina’s. Kamp kan de Kamer geruststellen: ‘Abu Ghraib’-achtige toestanden konden bij de Nederlandse troepen in de Iraakse provincie Al-Muthanna niet voorkomen – simpelweg omdat Nederlandse troepen geen mensen opsluiten. „Wij hebben geen gevangenen”, zei Kamp.

Nederland was in Irak geen ‘bezettende macht’. Daardoor waren de bevoegdheden beperkt. In het zogeheten Memorandum of understanding (MOU), dat de verhoudingen met de ‘bezettingsmacht’ Groot-Brittannië regelde, was expliciet (en meerdere malen) opgenomen dat „Nederlandse eenheden niet het recht hebben om personen te interneren.” Gevangenen werden daarom ‘overgedragen’ aan de Iraakse politie of aan de Britten. Maar daarmee doelde Kamp vooral op de theorie. Het MOU met de Britten bepaalde dat gevangenen „zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier dagen” moesten worden overgedragen. De Nederlandse troepen in Irak interpreteerden deze regel zó: gevangen genomen Irakezen kunnen vier dagen worden vastgehouden en ondervraagd. Het zijn deze ondervragingen door medewerkers van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) dienu voor ophef hebben gezorgd. De MIVD’ers zetten de gevangenen geblindeerde skibrillen op, gooiden water over ze heen en onderwierpen ze aan hard elektronisch geluid, zo bevestigde commandant der strijdkrachten Dick Berlijn gisteren in het tv-programma Buitenhof.

Die behandeling riep vragen op – ook in 2003 al. Overste Dick Swijgman, commandant van de Nederlandse troepen in Irak, zag voldoende aanleiding om op 25 oktober van dat jaar een melding te doen aan het Defensie Crisisbeheersingscentrum (DCBC) in Den Haag. Zes dagen later informeerde toenmalig chef-defensiestaf Luuk Kroon minister Kamp. Hij vertelde de minister dat de marechaussee een onderzoek zou beginnen. Dat onderzoek leidde tot een ‘proces verbaal van bevindingen’ waarin de militaire politie vaststelde dat er „geen sprake was van strafbare feiten”. Ook het OM kwam tot die conclusie. Hoe intensief het justitieonderzoek is geweest, is onduidelijk.

Het is die conclusie waarmee minister Kamp zich nu verdedigt: geen strafbare feiten, dus er was niets aan de hand. Toch raadde het OM Defensie wel aan „een aantal zaken” rond de behandeling van gevangenen te verduidelijken. Op 26 november 2003 schreef S. Ybema, directeur juridische zaken op het departement, daarom een analyse over wat de militairen wel en niet mochten doen in Irak. In de brief stelt Ybema expliciet „dat het afnemen van verhoren niet tot de bevoegdheden van Nederlandse eenheden behoort, evenmin als het horen van getuigen”. Nederlandse militairen in Irak mochten alleen „gesprekken” met gedetineerden voeren, maar dan „zonder enige vorm van dwang of dreiging”. In de nota wordt één ding duidelijk: of er nu sprake is geweest van strafbare feiten of niet, de medewerkers van de MIVD zijn in hun ‘gesprekken’ met Iraakse gedetineerden veel verder gegaan dan ze op grond van hun bevoegdheden mochten. Wat er precies is gebeurd, wordt nu alsnog onderzocht, heeft Kamp toegezegd.

De Maastrichtse emeritus-hoogleraar internationaal recht Theo van Boven was tot 2004 speciaal rapporteur voor foltering van de Verenigde Naties. Hij verbaast zich over de gang van zaken. „Ik krijg de indruk dat de militairen niet optimaal voorbereid zijn vetrokken. Als de directeur juridische zaken van het ministerie van Defensie nog een nota moet schrijven over de ‘juridische kaders’ van de Nederlandse SFIR-troepen als ze daar al aan de slag zijn, dan is dat niet erg zorgvuldig.” Van Boven vraagt zich ook af hoe diepgravend het onderzoek van het OM naar de vermeende misstanden is geweest. „Ik krijg nu de indruk dat ze deze zaak niet actief ter hand hebben genomen.”

Lees de nota van de directeur juridische zaken van Defensie uit november 2003 op www.nrc.nl/binnenland