Een gesprek zonder ‘dwang of dreiging’

Wat mochten Nederlandse militairen in Irak? Weinig, volgens de regels.

Maar die waren blijkbaar niet helder.

„Een bepaald gebied dat grijs is.” Zo karakteriseerde Nederlands hoogste militair, generaal Dick Berlijn, gisteren in het tv-programma Buitenhof de inmiddels veel besproken situatie rond de verhoren door Nederlands defensiepersoneel in 2003 in Zuid-Irak.

Afgelopen vrijdag werd bekend dat Nederlanders destijds Irakezen hebben verhoord terwijl dat volgens de eigen regels van Defensie niet kon. En al helemaal niet op de manier (geblinddoekt, met gebruik van water en geluid) zoals gisteren door Berlijn werd bevestigd. Een onafhankelijk onderzoek, aangekondigd door minister Kamp (VVD, Defensie) moet meer duidelijkheid bieden.

Wat was de achtergrond van de Nederlandse aanwezigheid in 2003 in de stoffige provincie Al-Muthanna in Zuid-Irak? Bij de invasie van Irak, in het voorjaar van 2003, had Nederland wat halfhartig stelling genomen. Het kabinet steunde de oorlog politiek, maar wilde niet militair deelnemen aan de Coalition of the Willing onder aanvoering van de VS. Maar Nederland was wel bereid om mee te doen aan SFIR, de internationale stabilisatiemacht voor Irak die op basis van een resolutie van de Veiligheidsraad vanaf de zomer van dat jaar wordt geformeerd. Nederland kreeg een relatief eenvoudige klus: een bataljon van het Korps Mariniers kreeg de verantwoordelijkheid voor de afgelegen, en daardoor rustigere provincie Al-Muthanna.

Niet dat daar nooit iets gebeurt. Zo overvielen de Nederlandse mariniers, in samenwerking met de Koninklijke Marechaussee, een illegale wapenmarkt in As Samawah. Twintig kalasjnikovs, enkele handgranaten en een grote hoeveelheid ‘kleinkaliber-munitie’ werden in beslag genomen, zo meldde het ministerie van Defensie zelf in een persbericht. Tachtig Iraakse wapenhandelaren werden opgepakt, zo meldde het ministerie, en „worden door de lokale politie en de marechaussee gehoord”.

De juridische status van de Nederlandse troepen was lang onduidelijk. Nederland koos er destijds voor om geen deel uit te maken van de Coalition Provisional Authority (CPA), de bezettende macht onder leiding van de VS, die na de val van Saddam Hussein het gezag in Irak overnam. Nederlandse militairen in Al-Muthanna waren niet meer dan ‘onderaannemers’ van de Britten in Basra, die de leiding hadden over alle militairen in Zuid-Irak.

Dat laatste had gevolgen voor de Nederlandse bevoegdheden. In 2003 pikte een hoge militair, overste Swijgman, geruchten op dat verhoren in Irak niet volgens de richtlijnen zouden gebeuren. Na een onderzoek van de Koninklijke Marechaussee concludeerde Justitie dat nader strafrechterlijk onderzoek niet nodig was. Hoe intensief het Openbaar Ministerie de zaak destijds heeft onderzocht, is niet duidelijk. Ondertussen schreef de directeur Juridische Zaken S.B. Ybema van het ministerie van Defensie een interne nota over de ‘juridische kaders’ van de Nederlandse SFIR-troepen.

Uit die nota blijkt dat de Nederlandse militairen maar twee dingen mochten doen: zichzelf beschermen en opdrachten van de CPA uitvoeren. Irakezen die een bedreiging vormden mochten worden gearresteerd. Ook mochten de mariniers criminelen op heterdaad oppakken (zoals de wapenhandelaars) en mochten ze overgaan tot arrestatie van oorlogsmisdadigers. Maar na dergelijke acties warenhun bevoegdheden uiterst beperkt (zie inzet). Nederland had geen bevoegdheid om Irakezen te detineren.

„Het afnemen van verhoren”, zoals de marechaussee had gedaan met de opgepakte wapenhandelaren behoorde „niet tot de bevoegdheden van de Nederlandse eenheden”. En dat gold dus ook voor de verhoren die nu in de publiciteit zijn gekomen, al werden die in de notitie van Ybema niet expliciet genoemd. Wel schreef de directeur juridische zaken in 2003 dat het „dringend aanbeveling” verdiende om „bij ieder voornemen tot enige vorm van strafvordelijk optreden de militair juridisch adviseur vooraf te consulteren” en om bij ieder verhoor de militair juridisch adviseur van het bataljon aanwezig te laten zijn.

De notitie van Ybema kleurde het door generaal Berlijn aangeduide grijze gebied in. Maar ten tijde van de gewraakte ‘gesprekken’ met de Irakezen was dat blijkbaar helemaal niet zo helder voor de Nederlanders in Irak. Toch rinkelden er bij sommige hoge militairen, zoals overste Swijgman en de commandant van de Koninklijke Marechaussee, wel alarmbellen. Beiden uitten hun twijfels bij de defensieleiding. Wat daar exact mee gedaan werd, hoe er gewerkt werd ná de notitie-Ybema en wat minister Kamp nou precies wel of niet wist, zal duidelijk moeten worden uit het aangekondigde onafhankelijke onderzoek. Wanneer dat klaar zal zijn, is nog onbekend.