Draaikonterij

Wie hebben er de afgelopen jaren ook alweer om het hardst geroepen dat de normen en waarden moeten worden aangescherpt? De politici, die van het CDA voorop. Fatsoen moet je doen, is een leus van het CDA, en als eerste doelstelling zegt deze partij te streven naar: „Een betrokken samenleving, waarin respect, fatsoen, integriteit, verantwoordelijkheid en zorg voor elkaar de boventoon voeren.”

Mag je dit dan ook op taalgebied verwachten? Dus: fatsoenlijk, respectvol en integer taalgebruik?

Dat lijkt mij wel. Het is echter de vraag of je de campagne van het CDA fatsoenlijk, respectvol en integer mag noemen.

Pragmatisch, ja, want de gevolgde strategie levert veel stemmen op, maar ik vind dat het CDA zich in de campagne niet aan zijn eigen doelstellingen houdt.

Hoe noem je dat ook alweer, als iemand A zegt maar B doet? Geldt dat niet als een voorbeeld van onstandvastigheid? Wat dat betreft is het interessant dat nou juist Maxime Verhagen Wouter Bos een draaikont heeft genoemd. Want zelfs al zou hij daar inhoudelijke argumenten voor hebben, hij verloochent de CDA-principes door dit zo te formuleren, want je kunt onmogelijk volhouden dat het van respect getuigt om iemand een draaikont te noemen, laat staan een leugenaar.

Nou kunt u zeggen: doe niet zo flauw, het is verkiezingstijd, dan komt het erop aan om de dingen bij de naam te noemen, je te onderscheiden, stevig uit de verf te komen.

In feite zeg je daarmee: wat fatsoenlijk is of niet, hangt af van de situatie. Van de tijd en de plaats, van de omstandigheden.

Goed, dan bedenken we een andere omstandigheid. Een leerling zegt tegen de directeur van zijn school, die bepaalde regels inconsistent heeft toegepast: „U bent oneerlijk en een draaikont.”

Ja, dát kan natuurlijk niet! Leerling, directeur, hier is sprake van een gezagsverhouding. Toen de normen en waarden nog dik in orde waren – wanneer was dat ook alweer? – zou dit ondenkbaar zijn geweest.

Aha, het mag dus wél tijdens de verkiezingen, want daar vraagt de situatie om, maar het is ongepast als er sprake is van een gezagsverhouding, van een verschil in macht.

Zoals het verschil tussen een premier en een fractieleider van de oppositie bijvoorbeeld, want het was toch Balkenende die Wouter Bos ‘oneerlijk’ heeft genoemd? Of wil iemand beweren dat zij precies evenveel macht hebben?

U ziet: het wordt allemaal knap ingewikkeld. Situatie, gezagsverhouding, leeftijdsverschil, tijd en plaats – er zijn allerlei redenen te bedenken waarom iets soms wél en dan weer juist niet fatsoenlijk, respectvol en integer is.

Zo gaat het doorgaans in de praktijk. Ook mensen die tegen vloeken zijn, willen weleens ‘godverdomme’ roepen als zij met een hamer op hun duim slaan (wat een versleten beeld is dat toch, ik denk dat er tegenwoordig veel vaker wordt gevloekt om haperende software dan om hamers op duimen). Dus ja, in het dagelijks leven zijn onze normen en waarden tamelijk rekbaar, maar daar kun je als politicus natuurlijk niet mee aankomen. „Wij zijn voor fatsoen en respect, maar tijdens de verkiezingscampagnes tillen we daar niet zo zwaar aan.”

Nee, een politieke partij maakt principiële keuzes. Zo is de Bond tegen het Vloeken áltijd tegen vloeken, dus ook als bijvoorbeeld internetplusbellen voor de zoveelste keer storingen geeft.

Wat je zegt ben je zelf, wil een volkswijsheid. Wie van de kansel roept dat we elkaar met respect moeten behandelen om vervolgens een ander respectloos een draaikont te noemen, zegt dit in feite tegen de spiegel.