‘Boe’ voor intrigerendste Don Giovanni ooit

Voorstellingen: Don Giovanni; Le nozze di Figaro door De Nederlandse Opera/Ned. Kamerorkest o.l.v. Ingo Metzmacher. Decor: Barbara Ehnes. Kostuums: Anja Rabes. Regie: Jossi Wieler, Sergio Morabito. Gezien: 18, 19/11 Muziektheater, A’dam. Radio 4: 23/12, 6/1, 20/1; tv en bioscoop: 10, 24/12; 7/1.

Het boegeroep voor Don Giovanni, het tweede deel van de Mozart-trilogie van de Nederlandse Opera, kwam zaterdagavond in drie golven. De eerste, nog niet massaal, was er al vlak na de pauze toen het gordijn openging en men opnieuw werd geconfronteerd met het enorme bedden-palazzo waarin deze Don Giovanni zich afspeelt.

Het was, zelfs voor het vaak oproerige operapubliek in het Amsterdamse Muziektheater, een ongekend vroeg boetijdstip. De eerste ‘boe’ had er zelfs al voor de pauze kunnen zijn. Maar toen was men kennelijk nog te overrompeld door het opmerkelijkste slot van de eerste acte dat een Don Giovanni-publiek ooit is voorgezet. Anders dan gebruikelijk verkrachtte Don Giovianni Zerlina in de feestscène niet onzichtbaar achter het decor, maar ongegeneerd midden op het podium. De grove ongewenste intimiteit liet een sloot bloed achter op Zerlina’s bruidsjurk. Intussen was bruidegom Masetto bezig met het wurgen van Leporello, Don Giovanni’s knecht. En nadat onder de omstanders langdurig een pistool was rondgegaan, schoot de anders altijd zo besluiteloze Don Ottavio tenslotte Don Giovanni neer. Maar echt dood was hij niet; hij keerde ongeschonden terug in de tweede akte.

In deze Mozart-cyclus gaan regisseurs Jossi Wieler en Sergio Morabito anders om met misdaad en straf dan gebruikelijk. De Commendatore sleurt Don Giovanni niet naar de hel, maar verdwijnt zelf in een afgrond. Don Giovanni loopt daarna rustig de zaal uit, om even later triomfantelijk uit het podium omhoog te rijzen. ‘Fuck normen en waarden’ is zijn credo.

Toen de regisseurs, de avond tevoren nog toegejuicht voor Così fan tutte, zich tijdens het slotapplaus twee keer vertoonden, volgden de echt massale golven boegeroep. Maar hoe terecht was dat? De Nederlandse Opera komt met de merkwaardigste, maar ook met de intrigerendste Don Giovanni ooit. Het is een voorstelling die dwingt om dieper na te denken over de al zo vaak geziene opera, waarin de personages zo vertrouwd zijn geworden dat hun labiele, perverse karakters niet meer opvallen.

Wieler en Morabito accentueren die waanzin juist in extreme mate in een harde, agressieve voorstelling. Daarin gaan ze, samen met dirigent Ingo Metzmacher, vrijmoedig om met het werk van librettoschrijver Da Ponte en componist Mozart. Maar ze eren hen ook door het tonen van de vrijwel altijd weggelaten scène Per queste tue manine (KV 540b), waarin Zerlina (een kordate Cora Burggraaf) zich als een furieuze meesteres met een riem wreekt op Leporello: ‘Zo pakt men mannen aan’.

Het is hier met die sadomasochistische uitbeelding zelfs een sleutelscène. Wieler en Morabito leggen de situering van de opera in een beddenpaleis uit met de visie dat iedereen suft en slaapt en moet worden gewekt uit en verlost van morele en seksuele remmingen. Maar je kunt de voorstelling ook zien als een dag in het krankzinnigengesticht van Charenton, waar de libertijnse, atheïstische markies de Sade jarenlang zat opgesloten.

Het levert geen prettig schouwspel op, en ook geen echt goede voorstelling. Het verhaal wordt slecht verteld, de verkleedpartij en alles rond de serenade zijn onbegrijpelijk. Het ergst van al: Don Giovanni (Pietro Spagnoli) is in zijn boosaardige monomanie geen interessant personage. Aardig is wel dat Leporello (José Fardilha) wordt gepresenteerd als een geile en jaloerse rivaal in de liefde – hij beroert via de broekzak constant zijn lid – en dat Elvira (Charlotte Margiono) naar het klooster gaat met een zak drop.

Na zo’n Don Giovanni was zondag een geestige, inventieve en prachtig gezongen Le nozze di Figaro in een autoshowroom slechts een probleem voor een enkele boeroeper, overstemd door bravo’s. Nu kwam ook het bijzondere van deze Mozart-cyclus aan het licht. Doordat zangers uit de twee andere opera’s terugkeerden, werden verhalen afgemaakt. Guglielmo (de voortreffelijke Luca Pisaroni) trouwt hier als Figaro met Susanna, eerder de kittige Despina uit Così (Danielle de Niese), daarin tegengewerkt door zijn vriend/rivaal Ferrando uit Così in de rol van Don Curzio (Norman Shankle). Marcel Reijans, de wereldvreemde Don Ottavio uit Don Giovanni is hier als de autoverkoper Basilio een man van de wereld. En de keurige Commendatore (Mario Luperi met imponerende stentorstem) uit Don Giovanni verschijnt hier als schuinsmarcheerder Bartolo, ontmaskerd als de vader van Figaro.

Ook de muzikale aanpak van de recitatieven vertoont zulke lange lijnen. In Così klinken ze met gitaarbegeleiding. In Don Giovanni is er naast het klavecimbel vaak slechts een duister dreigende baslijn. Leporello had daar zelfs een onbegeleide parlando-passage. En in Le nozze begeleidt dirigent Ingo Metzmacher zelf met goed gekozen registers de recitatieven op een synthesizer. Verder wordt zowel in Così als in Don Giovanni nog wel eens een Mozartplaat opgezet.

De vocale bezetting van de drie voorstellingen is uitstekend, maar het ongelooflijke niveau van Sally Matthews als Fiordiligi in Così wordt niet meer bereikt. Metzmacher heeft duidelijk het meest met Le nozze, door het steeds betere Nederlands Kamerorkest met heel wat meer vaart en spanning uitgevoerd dan de vaak wat slaperige Don Giovanni.

Als geheel is deze eigentijdse Mozart-trilogie een hoogst bijzondere bijdrage aan het Mozartjaar 2006. Wie drie opera’s van Da Ponte en Mozart achtereen ziet, bemerkt dat zij in vorm en inhoud variëren op een onverslijtbaar format, een gepassioneerde scepsis tegenover het verschijnsel liefde, universeel en tijdloos.