Verkiezingen en vergrijzing: een overpeinzing

Komende woensdag staan stemgerechtigde staatsburgers voor twee beslissingen. Loont het wel de moeite de gang naar het stembureau te maken? Zo ja, wie krijgt mijn stem? De ervaringscijfers leren dat volgende week ten minste een vijfde van de kiezers het stemlokaal links laat liggen. Een opkomstpercentage van 75 à 80 verdriet rechtgeaarde democraten. Het brengt economen tot verbijstering. Zij gaan uit van rationeel handelende individuen die bij al hun beslissingen nut – hier de te verwaarlozen invloed van de eigen stem op de verkiezingsuitslag – afwegen tegen offers – in dit geval tijdverlies en andere kosten. Uitgaande van dit mensbeeld ligt een opkomstpercentage van hooguit enkele tientallen procenten het meest in de rede.

Gedwongen door de feiten komen beoefenaren van de politieke economie met allerlei ingenieuze redeneringen ter verklaring van de veel hogere opkomst bij verkiezingen. Overtuigend zijn die theorieën allerminst. Het mensbeeld van economen is domweg te beperkt. Menselijk gedrag valt niet louter te verklaren als de uitkomst van een rationele afweging van nut tegen offers. De voor economen moeilijk verklaarbare hoge opkomst bij landelijke verkiezingen spruit mede voort uit burgerzin. In het verleden brachten velen grote offers voor het ideaal van vrije en geheime verkiezingen van het parlement. Alleen al om die strijders voor een democratische samenleving te eren zullen sommige burgers hun stemrecht willen uitoefenen.

De recente geschiedenis leert bovendien dat elke stem telt. Bij de verkiezingen voor de Amerikaanse Senaat veroverden de Democraten de staat Montana op de Republikeinen met een verschil van slechts 3.000 stemmen. In de staat Virginia was de marge nauwelijks breder (7.000 stemmen). Was een handvol Amerikaanse kiezers twee weken geleden thuis gebleven, dan zou president Bush nu over 51 van de 100 zetels in de Senaat beschikken en zag de wereld er volslagen anders uit. Zulke voorbeelden zouden elke kiezer moeten motiveren om de weg naar het stemlokaal te vinden.

Eenmaal daar, staan talrijke burgers nog steeds in dubio. Veel meer dan vroeger ‘zweven’ de kiezers. Zij laten hun stem vaak niet langer primair door maatschappelijke klasse, gewoonte of traditie bepalen. Daarmee neemt het belang van de verkiezingsprogramma’s in beginsel toe. Zij kunnen helpen bij het selecteren van de partij met de meest aansprekende plannen. In de praktijk werkt dat niet zo. Vrijwel geen kiezer leest en vergelijkt de programma’s. Te veel moeite en te ingewikkeld. In onze veelpartijendemocratie wordt menig ideaal bovendien noodgedwongen geofferd op het altaar van het politieke compromis. De opkomst van de mediacratie brengt mee dat tv-optredens en de uitstraling van de lijsttrekker voor een omvangrijke groep kiezers steeds meer stembepalend zijn. De dagkoersen van de politieke partijen laten binnen een tijdsverloop van enkele maanden dan ook grote uitschieters zien.

Economen veronderstellen dat in het stemhokje welbegrepen eigenbelang de doorslag geeft. In deze simplistische visie stemmen eigenwoningbezitters niet op een partij die de renteaftrek wil beperken. Veelverdieners voelen zich aangesproken door een verlaging van het toptarief van de inkomstenbelasting. En zo verder. Toch geeft de eigen portemonnee lang niet altijd de doorslag. Zo zal een deel van de welgestelde kiezers op grond van andere dan materiële overwegingen toch op een linkse partij stemmen. Zij voelen zich aangesproken door het perspectief van kleinere inkomensverschillen en een schonere leefomgeving en zijn bereid daar persoonlijk een bovengemiddelde bijdrage aan te leveren via een progressiever stelsel van belastingheffing.

Het Centraal Planbureau heeft voorgerekend dat de bestaande regelingen van de verzorgingsstaat op de heel lange termijn financieel niet langer houdbaar zijn. Vroeg of laat zijn bezuinigingen en/of lastenverzwaringen onontkoombaar, om te vermijden dat de staatsschuld en de rentelasten torenhoog oplopen. Geen enkele partij stelt voor de komende kabinetsperiode maatregelen in het vooruitzicht die de financiële houdbaarheid van de verzorgingsstaat per saldo verbeteren. Na 2011 ligt dat anders. De veelbesproken AOW-maatregel van de PvdA dicht echter niet meer dan een vijfde van het vergrijzingsgat in de overheidsfinanciën. CDA en VVD doen méér, onder andere door stapsgewijs de belastingtoeslag voor gezinnen met één kostwinner – inmiddels bekend als de ‘aanrechtsubsidie’ – af te schaffen.

De effecten van die maatregel bleven in het politieke debat onderbelicht. Deze ingreep bezorgt alle gezinnen waar slechts één inkomen binnenkomt een koopkrachtverlies dat uiteindelijk oploopt tot 2.000 euro per jaar. Dit botst met de traditie van het CDA als uitgesproken gezinspartij. Ernstiger is de verstoring van de arbeidsmarkt. Samenlevers in de bijstand ontvangen namelijk elk een eigen, verzelfstandigde uitkering. Die hebben dus twee inkomens. Daar verandert niets. Gezinnen waar één loon of salaris binnenkomt gaan er daarentegen op achteruit. Leven van de bijstand wordt hierdoor in vergelijking met werken tegen een laag loon 2.000 euro per jaar voordeliger. Dit frustreert het functioneren van de onderkant van de arbeidsmarkt.

Ook komende woensdag telt elke stem. Weinig kiezers overzien volledig de portee van hun keuze. Zij zijn in het goede gezelschap van politici zonder oog voor de draagwijdte van hun plannen.