Sta je bij het pompstation, moet je nóg rekenen

Een eerstejaars klas van pabo Domstad kreeg deze week de uitslag te horen van de verplichte rekentoets. Zeventig procent is gezakt. „Ik ga elke dag oefenen met mijn vader.”

De sfeer is wat bedrukt en er hangt een lichte verontwaardiging in de lucht. Afgelopen week kreeg een eerstejaarsklas van de lerarenopleiding Domstad in Utrecht de resultaten terug van de rekentoets. Zeventig procent is gezakt. De studenten mogen dit jaar nog twee keer herkansen. Als ze de toets dan nog niet hebben gehaald, moeten ze van de opleiding af.

„Je móet het dus echt halen dit jaar”, zegt rekendocente Mariëlle van der Borgh heel duidelijk tegen de klas. Vierentwintig dames kijken terug, de klas bestaat geheel uit vrouwen.

„Moet je anders écht weg, dat is toch raar”, zegt één van de studentes. „Maar je moet toch aan kinderen les kunnen geven”, antwoordt een andere. Vandaag begint de eerste ‘bijspijkerles’ die de studentes moet klaarstomen voor de herkansing.

De klachten over rekenvaardigheid van leraren is van alle tijden. Dit jaar hakte onderwijsminister Van der Hoeven (CDA) de knoop door en werd de ‘rekentoets’ verplicht gesteld op de hbo lerarenopleiding (pabo). De verplichte toets is een tijdelijke maatregel. Misschien wordt op termijn wiskunde verplicht gesteld op de vooropleiding. Maar daar wordt nog op gestudeerd door het ministerie van Onderwijs. Duidelijk is wel dat er actie moet worden ondernomen. Uit onderzoek blijkt dat meer dan de helft van de eerstejaars pabo-studenten slechter rekent dan de beste 20 procent leerlingen uit groep 8 van de basisschool.

De nieuwe toets, die door het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling (Cito) is ontwikkeld, moeten de studenten op de computer maken. Ze mogen er geen papier bij gebruiken. De toets begint met makkelijke vragen en past zich, naar gelang de antwoorden die gegeven worden, aan aan het niveau van de toetskandidaat. „Die rotcomputer”, zegt een studente. „Op papier ben ik veel zekerder.” „Wat we er ook van vinden, de toets is verplicht, dat kan ik niet wegnemen”, zegt Van der Borgh gedecideerd.

Op de overheadprojector legt ze een vraagstuk neer. De opdracht is te berekenen hoeveel zakken aarde van 25 liter er gaan in een laadbak van twee meter lang, 1,2 meter breed en een halve meter hoog. „Je hoeft het niet uit te rekenen”, zegt Van der Borgh. „Maar ik wil wel dat je opschrijft wat je moet weten om deze som op te kunnen lossen.”

„Je moet de inhoud kunnen berekenen”, zegt een studente. „Je moet weten dat een kubieke decimeter een liter is”, zegt een ander. „En je moet van meter naar decimeter kunnen rekenen”, zegt een derde. „Hoe heet dat”, zegt Van der Borgh, „dat systeem? Het metriek stelsel, hè.”

Uit een emmer haalt ze vervolgens flacons van allerlei formaat en ze zet ze op de tafel voor de klas. Mascara, deodorant, hoestsiroop, neusspray, wijn, bier en cola. De emmer zet ze er tot slot ook naast. „Schrijf nou eens op hoeveel inhoud je denkt dat in deze voorwerpen gaat”, zegt ze. De klas gaat aan de slag.

Mariëlle van der Borgh wijt het hoge aantal gezakten in déze klas, aan het feit dat ze van het mbo komen, van de richting sociaal pedagogisch werk. Ze zijn nu nog onderwijsassistenten, maar willen op de lerarenopleiding hun lesbevoegdheid halen om zelfstandig les te mogen geven op de basisschool. De mogelijkheid voor mbo studenten om rechtstreeks door te stromen naar de pabo bestaat sinds zes jaar. Daardoor is de toevoer van mbo’ers naar de pabo toegenomen. „We hebben ook een klas met studenten die havo of vwo als vooropleiding hebben”, zegt Van der Borgh. „En daar heeft 80 procent het gehaald.”

Om de doorstroom van mbo naar hbo te vergemakkelijken heeft Domstad een „intensieve samenwerking opgezet” om leerprogramma’s met die van de mbo scholen af te stemmen. Op alle gebied, biologie, Nederlands, geschiedenis en dus rekenen, zegt Van der Borgh.

Michelle (21) had daar nog niet veel van gemerkt. Zíj heeft de afgelopen vier jaar op het mbo geen rekenen gehad. „Daar ging het meer over de omgang met kinderen.” Ze heeft de toets dan ook niet gehaald, zegt ze na afloop van de les. Ze vond het ook moeilijk de opgaven zonder papier op de computer te maken, vertelt ze.

Van der Borgh is het eens met het verplicht toetsen op rekenvaardigheid. De hogeschool nam altijd al een toets af om het rekenniveau van de studenten te testen. „Het enige verschil met de verplichte toets is dat studenten nu nog maar één jaar hebben om hem te halen. Vroeger mochten ze er twee jaar over doen.”

Toch heeft ze „nog wel wat toe te voegen aan de toets”, zegt ze. „Het lastigste is, dat als studenten de toets maken, de opgaven weer verdwijnen. Je kan de opgaven dus niet in de klas bespreken.” Er zijn ook geen oefenexemplaren beschikbaar op internet. Cito staat dat niet toe. Van der Borgh geeft de studentes daarom, naast het cursusmateriaal, nog wat adressen door van internetsites waar ze kunnen oefenen met opgaven. „Ik ga elke dag oefenen met mijn vader”, zegt een studente.

Na afloop heeft Laura (20) nog een vraag voor de verslaggeefster. „Waarom focussen jullie journalisten toch allemaal zo op dat stomme rekenen”, zegt ze fel. „Ik word daar gék van. Ik stond laatst bij een tankstation een leerboek door te nemen, en toen vroeg een man mij of het voor de pabo was. Toen ik ja zei, vroeg hij me hoeveel 33 keer 33 is. Natuurlijk weet ik dat we rekenen moeten beheersen, maar al die aandacht slaat nergens op.” Van der Borgh sust: „Het lijkt in de media nu steeds of de pabo niet deugt. Maar het probleem zit hem natuurlijk in de vooropleiding.”

Laura had de toets overigens gehaald.