Op het veld gaat de knop om

Hockey is zijn passie, en daarom zegde recordinternational Jeroen Delmee (33) vorige maand zijn baan op. Hij gaat door; eerst als speler, later als coach. Over een mislukt WK en de dood van zijn vader. „Sinds ons pa er niet meer is, volg ik mijn hart.”

Jeroen Delmee: „Tijdens het WK had ik als captain eerder aan de bel moeten trekken.” Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold den bosch 17-11-2006 hockyer jeroen delmee Zilvold, Rien

Voor zover hij het nog niet wist, dan weet Jeroen Delmee het inmiddels zeker. Eerst zijn vader, nu een oud-ploeggenoot met wie hij jarenlang samenspeelde bij Tilburg. „Oók ongeneeslijk ziek, hoewel pas 42 jaar. Als je dat hoort, dan ben je sprakeloos. Het raakt me en tegelijkertijd doet het me eens temeer beseffen dat ik vooral mijn hart moet volgen. Carpe diem, pluk de dag, dat is mijn levensmotto. Nu meer dan ooit. Morgen kan het afgelopen zijn.”

Vorige maand overleed zijn vader, oud-hockeycoach en -manager Harrie Delmee, aan de gevolgen van darmkanker. Zestig jaren jong pas. Zijn dood en ziektebed hebben de aanvoerder van de Nederlandse hockeyploeg aan het denken gezet. „Ons pa stond nog middenin het leven; z’n pensioen was aanstaande, hij zou samen met mijn moeder van het leven gaan genieten, zoals hij dat zo goed kon, en ineens bleek dat hij nog maar een paar maanden te leven had. Dat was wreed, heel wreed zelfs. Maar woede heb ik niet gehad, wel ongeloof. Het kan toch niet waar zijn?”

Morele steun ontvingen zijn moeder, zijn broer en hij van de als vanouds hechte hockeygemeenschap, die vier weken geleden massaal opkwam bij de uitvaart in Boxtel. „Het was hartverwarmend, al die belangstelling. Ons pa kende de halve hockeywereld en de halve hockeywereld kende hem. Nu wordt het stiller. Ik mis hem steeds vaker. Even praten, even mopperen met z’n tweeën. Over hockey uiteraard, we deden niets anders. Vanaf het moment dat ik vijf was en hij mijn coach werd.”

Een dag na de crematie stond de routinier van Den Bosch alweer op het veld, voor de streekderby tegen uitgerekend de club waar Delmee senior de beste jaren beleefde als coach, Tilburg. „Ik heb onze coach Roger van Gent ’s ochtends gebeld met de mededeling dat ik graag mee wilde doen. De bond had besloten dat alle hoofdklassewedstrijden met een minuut stilte moesten beginnen. Een prachtig gebaar, en dat wilden mijn familie en ik meemaken, dus ja: als ik er toch was, kon ik net zo goed meedoen. Kon ik alles bovendien een beetje van me afspelen.’’

Hoogte- en dieptepunten wisselden elkaar de afgelopen maanden in hoog tempo af in het leven van de 33-jarige spelverdeler, die bezig is aan zijn zeventiende seizoen in de hoofdklasse. In mei kreeg hij te horen dat zijn vader ongeneeslijk ziek was, in juli loste hij oud-ploeggenoot Jacques Brinkman af als recordinternational, in september beleefde hij de „met afstand grootste frustratie uit mijn loopbaan” door met Nederland op een als beschamend ervaren zevende plaats te eindigen bij het wereldkampioenschap in Mönchengladbach.

Naar de oorzaken van het falen in Duitsland blijft het gissen. „Als het de afgelopen jaren niet liep, hoefde je geen groot hockeykenner te zijn om na afloop de vinger op de zere plek te leggen; het was dit of dat. Nu ligt dat anders”, benadrukt Delmee. „Als ik nu dan toch iets moet noemen, dan zeg ik: we hebben té open gespeeld, niet compact genoeg. Als wij ver uiteen spelen, voelen wij ons niet op ons gemak. Dan sluipt er angst in de ploeg, vooral achterin. Terwijl we kort daarvoor bij de Champions Trophy wél compact spelen. Dat neem ik mezelf kwalijk. Ik had als captain eerder aan de bel moeten trekken.”

Maar was Delmee, inmiddels goed voor 351 interlands, mentaal wel in staat om te spelen? Was hij met zijn gedachten niet te zeer bij zijn vader, zoals iedereen had kunnen begrijpen? Resoluut: „Nee, geen sprake van. Eenmaal op het veld gaat de knop om. Vergeet niet dat ons pa al een tijdje ziek was. Hoe hard dat misschien ook klinkt, maar je leert gaandeweg leven met zo’n ziekte. Wellicht heeft een en ander onbewust toch een rol gespeeld, dat ik daardoor minder scherp was bijvoorbeeld, maar zelf heb ik dat gevoel niet. Toen niet, en nu nog steeds niet.”

Ook van een andere international, strafcornerschutter Taeke Taekema, is het de vraag of het verstandig was dat hij überhaupt meedeed. Na het WK bleek de verdediger van Amsterdam zodanig geblesseerd aan zijn linkervoet dat hij onder het mes moest en pas na de winterstop weer inzetbaar is. Delmee: „Taeke kwam pas laat op gang met zijn corner, maar joeg die ballen er tijdens de trainingen wél zeikendhard in. In overleg met de medische staf is besloten dat het verantwoord was om hem te laten spelen. Dus ja, wat is wijsheid? Wijsheid achteraf hebben we allemaal.”

Bondscoach Roelant Oltmans kreeg, ondanks de teleurstellende prestatie in Duitsland, weinig tot geen kritiek te verduren. Sterker nog: de coach uit Oegstgeest mag blijven en zijn portefeuille van technisch directeur inleveren. Terecht, stelt Delmee. „Onder Roelant hebben we de inhaalslag gemaakt die we – als we eerlijk zijn – al veel eerder hadden moeten maken. We hebben toch een paar jaar stilgestaan in onze ontwikkeling, terwijl de concurrentie wél stappen maakte. Nu trainen we niet alleen meer, we begrijpen elkaar ook beter, doordat we ons duidelijker durven uit te spreken tegenover elkaar. Dat is – wat iedereen ook van hem mag denken – toch de verdienste van onze mentale begeleider Bouke de Boer. Dat we die professionelere manier van werken en denken, ondanks een uitstekende voorbereiding, niet hebben weten te verzilveren, is vreselijk zuur. Niets is zo vervelend als te denken dat je goed bezig bent, om uiteindelijk toch met lege handen te staan.”

Of riep de ploeg het onheil over zichzelf af door de hoogmoedige houding vooraf? Delmee, instemmend: „Achteraf kan je zeggen dat het goed was geweest als we in de voorbereiding een paar keer op onze bek waren gegaan. Maar ja, soms speelden we slecht, maar wonnen we toch. Vaak nog met afgetekende cijfers ook. Wat hadden we moeten doen? Aan onze tegenstanders vragen of ze alsjeblieft wat beter hun best wilden doen? Die winnende reeks (negentien duels op rij ongeslagen, red.) is onze valkuil gebleken. Onbewust zijn we toch gaan geloven in onze eigen onoverwinnelijkheid. Net zo goed dat we het, na de laatste oefeninterland voor het begin van het toernooi, niet nodig vonden om nog één à twee dagen te blijven om de specifieke eigenschappen van dat veld in Mönchengladbach beter te leren kennen. Ook dat was niet handig.”

De dood van zijn vader heeft Delmee definitief doen besluiten zich onvoorwaarlijk op hockey te storten. Voorlopig nog eerst als speler, straks als trainer-coach. Vorige maand zegde hij zijn baan op als commercieel medewerker bij een in Den Bosch gevestigd bedrijf in innovatieve vervoersmiddelen. „Ik volg mijn hart, precies zoals mijn pa dat altijd gedaan heeft. Ik wil mensen beter maken, en zie redelijk snel waar het individueel aan schort, net als hij. Ons pa kon sport en werk altijd combineren, maar vandaag de dag is dat niet meer mogelijk. Niet als speler, niet als coach.”

Zo ondervond Delmee het afgelopen jaar. „Ik werkte veertig uur in de week, al kwam ik niet altijd aan die uren. Zeker niet toen we vanaf februari meer zijn gaan trainen. Dat knaagt aan je verantwoordelijkheidsgevoel. Als ik nu terugkijk, heeft mijn spel het afgelopen jaar geleden onder al dat gevlieg van hot naar her. Ik miste de frisheid, zowel fysiek als mentaal. Af en toe had ik beter vakantie kunnen nemen, zodat ik goed uitgerust zou zijn geweest. Heb ik niet gedaan, want ja: je bent al redelijk vaak weg vanwege dat hockey, dan ga je niet ook nog eens om extra vrije dagen vragen. En een training afzeggen doe je ook niet. Zeker als aanvoerder wil je je niet laten kennen.”

Afgelopen woensdag schoof Delmee aan bij het congres Sport en Technologie in Eindhoven. Speciale belangstelling had hij vooral voor de voordracht van de sportarts van de Italiaanse voetbalclub AC Milan, Jean Pierre Meersseman. „Nu ik zelf ook een dagje ouder word, wilde ik weleens weten hoe dat zogeheten Milan-lab werkt, en hoe die club erin slaagt om ‘oudjes’ als Alessandro Costacurta en Paolo Maldini zolang op de been te houden. Want dat is geen toeval natuurlijk, dat die gasten op hun 38ste, 39ste nog steeds op het hoogste niveau spelen.”

Ook hockey zal zich de komende jaren verder professionaliseren, vermoedt Delmee, die zijn sport de afgelopen vijftien jaar al zag veranderen: van puur amateurisme naar (een vorm van) semi-professionalisme. Al is het de vraag, aldus Delmee, hoe professioneel de meeste hockeyers in werkelijkheid zijn. „Bram (oud-international en -collega Lomans, red.) stelde laatst in Sportweek dat de overgrote meerderheid van de spelers uit de hoofdklasse met drie trainingen in de week niet aan topsport doet. Heeft-ie gelijk in. Wij – de internationals – doen aan topsport, met zes trainingen in de week. Maar het gros vindt drie keer per week al heel wat. Maar wat ik vooral niet begrijp: waarom vragen de clubs niets terug? Spelers ontvangen tegenwoordig hele aardige bedragen van hun club, zonder dat ze meer trainingsarbeid verrichten dan tien jaar geleden. En iedereen die dat kennelijk maar oké vindt. Zo kom je als sport nooit verder in mijn ogen.”

Verder komen wel de internationals, die mede dankzij de inzet van Delmee nu zelf hun portretrechten beheren. In de hoop daar financieel beter van te worden. „Om financieel gecompenseerd te worden”, verbetert Delmee. „Neem het WK: omdat we ‘maar’ zevende zijn geworden, krijgen we niets, terwijl we ons wel maandenlang de blubber hebben getraind. Dat vind ik niet terecht. Je brengt niet alleen een financieel, maar ook een maatschappelijk offer, gelet op al die jaren die je in het Nederlands elftal steekt.”

Niemand die medelijden met hem hoeft te hebben, zegt Delmee, die momenteel eenmaal per week gasttrainingen verzorgt bij het Hockey College van Oranje Zwart in Eindhoven. „Maar arbeid mag best beloond worden. En als de bond dat niet doet, doen wij het zelf. Net zo makkelijk. Ik heb nooit begrepen waarom de bond in al die jaren bijvoorbeeld nooit shirts heeft laten drukken met achterop de namen van De Nooijer en Delmee. Daar had je in tien jaar toch zeker vijfduizend stuks van kunnen afzetten. Tel uit je winst. Dat had mij nu een leuk zakcentje opgeleverd.”