Noem me Koerd, noem me moslim – ik heet gewoon Haci

Wie emigreert krijgt een identiteit opgedrongen. Maar de littekens blijven, helemaal in een land waar plotseling elke moslim hetzelfde is. Plak migranten geen cliché-label op, maar behandel hen als individuen.

Straatscene, Erzurum, Turkije, omstreeks 1970 ( Foto Roger Viollet Erzurum (Turquie). Scène de rue : boutiques et minaret d'une mosquée. Vers 1970. RV-870645 ROGER_VIOLLET

Haci Karacaer

Voormalig directeur van Milli Görüs Noord-Nederland en intendant van de stichting Marhaba, Kunst- en Cultuurhuis Amsterdam.

Het sneeuwde toen ik geboren werd. Of in ieder geval zag het er zo uit. Mijn moeder wist te vertellen dat de bloesem van de abrikozenbomen op het erf neerdwarrelde om mijn komst te begroeten. Ik moet dus in het voorjaar zijn geboren. Maar welk voorjaar? Ik weet het niet. Op het platteland telden de seizoenen, niet de jaren.

Als de generatie van mijn moeder wilde aangeven in welk jaar iemand was geboren, ging dat in beelden als „het jaar dat de beroemde boef Hacikke Korro is vermoord”, een boef die vrouwen in de regio lastigviel.

In ons rustige plattelandsdorp doken op een dag de eerste berichten op over het grote geld dat in landen als Duitsland, België en Nederland te verdienen viel. In alle gezinnen, het koffiehuis en de moskee was het het gesprek van de dag. Elke volwassen man of bijna volwassen man wilde wel dat snelle geld. In een jaar of twintig was Sagirkaraca, het dorp waar ik het over heb, een spooklandschap geworden, waar nu nog maar zo’n vijftien gezinnen wonen. Het huis waar mijn vader is geboren, bestaat niet eens meer. Het is allang gesloopt.

Volgens mijn paspoort ben ik op 1 januari 1962 geboren. Meer dan 90 procent van de Turken van mijn leeftijd of ouder is administratief op 1 januari geboren. Dat heeft te maken met de werking van de Burgerlijke Stand in Turkije. Bij het bezoek aan de jaarmarkt in de grote stad in de buurt werden alle kinderen die in de voorgaande periode waren geboren aangemeld. Of het gebeurde een jaar later. Tot mijn vijfde bestond ik administratief niet. Mijn vader was inmiddels naar Europa vertrokken, en ik wilde per se naar school. Daarvoor moest ik bij de Burgerlijke Stand worden ingeschreven, want je moest in het toenmalige Turkije kunnen aantonen dat je zeven jaar was voordat je naar het basisonderwijs mocht. Mijn moeder en mijn tante hebben me dus als zevenjarige opgegeven, zodat ik naar school kon. En vanaf dat moment af was ik dus in 1962 geboren. In de winter wel te verstaan, op 1 januari. Nu bestond ik administratief en kon ik de wondere nieuwe wereld van boeken, schoolborden en strenge leermeesters betreden. Ik was een van de betere leerlingen. En na vijf jaar basisschool ging ik eerst drie jaar naar de middelbare school en vervolgens drie jaar naar het lyceum.

Ik zal u er niet mee vermoeien om u uit te leggen hoe het Turkse onderwijssysteem in elkaar zit, maar de onderwijsmethode bestaat voornamelijk uit drillen, drillen en nog eens drillen. Van school herinner ik mij dat de staat vooral gedisciplineerde burgers nodig had. In alles werd dat onderstreept. In de rituelen, in de verboden, in de straffen, in de onderwijsmethoden. Je was onderdeel van het collectief.

Helemaal onbegrijpelijk is dat niet. Turkije in zijn huidige vorm is nog geen honderd jaar oud. Na het debacle van de Eerste Wereldoorlog – het oude Ottomaanse Rijk bestond niet meer en Turkije had de verkeerde bondgenoten gekozen – werd het eens zo trotse land teruggesnoeid tot zijn huidige gebied.

We zijn trots op onze geschiedenis. Als Turk, maar ook als bewoner van het platteland dat niet meer bestaat. We zijn trots op het Ottomaanse verleden, maar willen hopeloos modern zijn. We zijn moslim maar willen ook normale burger zijn. We willen bij Europa horen, maar kom niet aan de Turkse gevoeligheden. We willen individu zijn zonder de geborgenheid van onze familie en gemeenschap kwijt te raken. We willen de wetten gehoorzamen, zonder de tradities van het oplossen van problemen in eigen kring – hoe heftig ook – helemaal los te laten. We willen een heleboel tolereren, feminisme of homo’s, zolang het maar geen aanstoot geeft of ons direct raakt. Het dilemma van elke Turk in het seculiere Westen is de continue strijd tussen zijn verstand en zijn hart.

Op 5 februari 1982 kwam ik naar Nederland. Ik zat voor het eerst in het vliegtuig. Tot op de dag van vandaag kan ik de angst voelen die mij overviel bij het opstijgen. In het vliegtuig ging het nog wel, ik was niet de enige Turk. Maar eenmaal op Schiphol wist ik dat ik in een totaal andere wereld was beland. Een wereld die me nog danig zou opbreken.

In Turkije had ik me als een kind uit een minderheidsgroep, de Koerden, via school opgewerkt tot een trots lid van de Turkse meerderheid. Terugkijkend zou je me een goedgedrilde nationalist kunnen noemen toen ik aankwam. In Nederland was ik terug bij af. Niks meerderheid. Minderheid en nog onderklasse ook. Ik sprak de taal niet, mijn schooldiploma’s deden er niet toe. En de verhalen die mijn vader verteld had over de algemene welstand van Nederland en de persoonlijke welstand die hij zelf had opgebouwd, bleken ook anders dan ik me had voorgesteld. Ik wilde vooruit, ik wilde leren. Maar vreemd genoeg voelde ik, afgezien van de tijdelijke warmte bij een glas thee, me nauwelijks thuis bij Turkse organisaties. Er hing een beetje de sfeer van nostalgie omheen, van losers, niet die van mensen die een uitdaging aangaan.

Want dat was bij uitstek de generatie van mijn vader. De aanpakkers, de durvers. Als je de stap durft te maken om huis en haard te verlaten om in een volstrekt vreemd land iets op te bouwen, moet je moed, zelfvertrouwen, durf hebben. Uithoudingsvermogen en een huid als een olifant. Je had te maken met een samenleving die jou als tijdelijke gast zag. Welwillend weliswaar, maar toch voor tijdelijk. Mijn vader heeft over die pionierstijd veel verhalen verteld. Verhalen die hij begrijpelijkerwijs aan mijn moeder louter in gekuiste vorm heeft herhaald. Hoe ze allemaal wel een scharrel hadden. Hoe ze van Nederlandse vrijwilligers taallessen kregen. Ze wilden dat zelf, en in mijn herinnering lag het rendement van die lessen hoger dan de gedwongen lessen van nu. Het lijkt vreemd, maar het was in die tijd vooral de vrouwen- en homobeweging die het meest enthousiast bezig was met die taallessen. In de gastarbeiders herkenden ze blijkbaar lotgenoten en dat was wederzijds.

Die tolerantie en pioniersgeest aan beide zijden is in minder dan dertig jaar helaas verloren gegaan. Dat geldt ook voor hun wereldbeeld. De generatiegenoten van mijn vader gingen als trotse ontdekkingsreizigers op weg naar nieuwe havens. Een deel van hun kleinkinderen straalt juist uit dat ze aangedokt zijn, rijp voor de sloop.

Ik besloot na mijn aankomst dus verder te leren. Elke opleiding, elke baan was een nieuwe stap. Ik wilde bij de hoofdstroom horen. En ik wilde geen minderheid zijn. Vreemd genoeg ben ik er in het kleine wereldje van de Turken in Nederland steeds weer met mijn neus op gedrukt dat ik weliswaar een Turks paspoort had, maar eigenlijk een Koerd was. Een trapje lager dus. Nadat ik met pijn en moeite mijn Koerdische identiteit op school in Turkije had moeten opgeven, heb ik die noodgedwongen uit lijfsbehoud of gewetensrust in Nederland weer moeten herontdekken. Dat is een vreemd fenomeen, dat bijvoorbeeld ook Berbers, in Marokko een veelal ontkende minderheid, maar in Nederland de meerderheid van de Marokkaanse ‘gastarbeiders’ (ook met een eigen taal, ook met een eigen cultuur, ook met een plattelandsachtergrond) hebben ervaren. Als anderen gaan bepalen wat jouw identiteit is, is het knap lastig integreren. Duizendmaal per dag laveer je tussen capitulatie en gevecht, tussen verstoppertje spelen en toch je eigen ding doen. Tussen twijfel aan jezelf en je omgeving voor gek verklaren.

Tijdens mijn loopbaan als systeembeheerder bij de gemeente Amsterdam heb ik ook veel moeten leren. Binnen no time was ik daar de Robin Hood. Ik was de nieuweling die zich niets aantrok van de codes van het bedrijf. Ik durfde in vergaderingen de leiding het vuur aan de schenen te leggen. Mijn collega’s vonden het prachtig, maar helemaal begrijpen konden ze het niet. Ik was primus inter pares. De eerste onder gelijken. Dat gaf natuurlijk een goed gevoel. Ik was geïntegreerd, al gebruikten we dat woord toen nog niet. Maar mijn ego kreeg een gevoelige knauw bij de volgende gebeurtenis.

Mijn assistent had een groot respect voor mij, en ik voelde me dan ook vereerd toen ik werd uitgenodigd voor zijn bruiloft. Het was mijn eerste huwelijksfeest in Nederland. Ik kom in de feestzaal en zie daar Ger, mijn assistent, en zijn aanstaande in een prachtige jurk. Hij begroet me, en wijst op zijn bruid: „Ze ziet er prachtig uit, hè?” Ik begon onmiddellijk te blozen. Ik mompelde wat voor me uit als „zoiets moet je mij niet vragen” en wist niet hoe gauw ik weg moest komen. Ger stond geheel verbouwereerd daar, hij herkende de altijd zo assertieve Haci niet meer. Ger kon niet vermoeden dat de Haci die hij kende als zijn assertieve chef al 27 jaar zo geconditioneerd was, dat het voor hem onmogelijk was om in het openbaar complimenten te maken aan andermans vrouw.

En daarmee kom ik op het punt van de littekens van de integratie. Onze weg van emigratie en emancipatie valt geografisch en temporeel op de meter en de seconde te boekstaven. We weten op de dag nauwkeurig wanneer we uit onze thuishaven vertrokken en wanneer we aankwamen. Onze carrière staat minutieus opgetekend in onze cv’s, die we nog zorgvuldiger bijhouden dan onze Nederlandse collega’s, want het is onze sleutel voor de toekomst. We gaan voor de hoofdprijs, want dat betekent dat onze kinderen naar nog betere scholen kunnen gaan. We willen weg uit afbraakwijken, want dat is beter voor onze kinderen. We zijn bereid uit te varen naar telkens nieuwe havens, we zijn ondernemend genoeg. Fysiek gezien dan. Want als je in ons hoofd kijkt, zijn we in elke haven die we ooit hebben aangedaan nooit echt vertrokken en nooit echt aangekomen. Misschien waren het de loodsen, de havenautoriteiten, werden we echt alleen als passanten gezien of hadden we zélf te veel ‘geestelijke asbest’ aan boord.

Voor zo ongeveer elke immigrant in Nederland, hier geboren of niet, is ‘islam’ nu het codewoord. Er zijn in Nederland zestien miljoen islamdeskundigen. En de meesten menen op goede gronden moslims te kunnen haten. Niet in fysieke zin, zoals vroeger in de Waterloopleinbuurt in Amsterdam, maar in geestelijke zin is een bevolkingsgroep opgesloten in een getto: u bent moslim, dus u hoort er niet bij. Niet bij onze rechtsstaat, niet bij onze vrijheden, niet bij onze vooruitgang.

Het zijn de – ik wilde even zeggen moslims, maar ik bedoelde natuurlijk Turken, Koerden, Armeniërs, Alevieten, Sunnieten, Shi’ieten, Surinamers, Marokkanen, Berbers, Algerijnen, Somaliërs, Irakezen en Iraniërs en al die anderen uit die gordel van pijnbomen, wijngaarden en zand, die worden onderdrukt in de naam van uw Verlichting.

Als je media, politiek, en zelfs de meeste wetenschappelijke publicaties volgt, is het terrorisme, de politieke islam, de opstelling van staten als Iran en Irak terug te voeren op de islam. Of het om ... Marokkanen gaat, om Koerdische separatisten, eerwraak, het maakt niet uit: one islam serves all. Heb je een foute naam of een foute postcode, je kunt zelfs je sollicitatiegesprek al vergeten. Islam wordt niet meer gezien als een geloof in al zijn gradaties, maar als een ras. Je bent het of je bent het niet. Als moslim geboren, je bent het voor je leven. Je bestaat dus niet meer als individu.

Dit is het dilemma van elk kind van een migrant. Mohammed B., Mohammed Atta, of de kofferbommenleggers uit Duitsland zijn geen terroristen die van buiten komen. Het zijn bij wijze van spreken kinderen die op onze eigen schoot zijn groot geworden. Ze zijn even vreemd in Nederland als in de droomwereld van hun ouders. Ze knutselen hun eigen verleden bij elkaar via internet, niet de meest betrouwbare bron om naar je roots, je haven van herkomst en je thuishaven op zoek te gaan.

Laten we ophouden om migranten te beschouwen als mensen die in een bepaald religieus cliché horen te passen. Bekijk ze als individu en bekijk hun situatie: op sociologische gronden, niet op religieuze. Ik ben Haci Karacaer, uit Aksaray en ik ben burger van deze wereld.

Dit is een ingekorte versie van de tekst die Haci Karacaer gisteravond uitsprak bij de Etty Hillesum-lezing.

De volledige tekst is na te lezen op www.nrc.nl/opinie: Terug bij af