Meer bos maar niet beter

Wereldwijd komt er meer bos. Ook met een nieuwe meetmethode is dat vastgesteld. Die neemt echter niet de kwaliteit van het bos mee. Karel Knip

Het bos van Fourmies in Noord-Frankrijk. foto philippe houzé France, Nord (59), Fourmies, the forest of the Monks' marshes hemis.fr

Hebben de milieu-sceptici dan toch gelijk? Is er geen sprake van ontbossing op deze aarde? ‘Studie ontdekt nieuwe groei in de bossen’, meldde de International Herald Tribune afgelopen dinsdag. ‘Study hopeful for world’s forests’, deed de BBC op haar website. ‘Bossen herleven na ommekeer in mondiale bosverwoesting’, voegde de Sunday Times er aan toe.

Het waren samenvattingen van een artikel in de Proceedings of the National Academy of Sciences waarvan de toon was ingegeven door een persbericht van de universiteit van Helsinki. Daar komt eerste auteur Pekka E. Kauppi vandaan. De andere vijf komen uit de VS, Engeland en China. Wie de kop van het artikel zelf las wist al dat het anders moest zijn. De zes bosexperts hadden herstellende bossen geanalyseerd volgens een nieuwe methode. Dat is wat anders dan een nieuwe methode gebruiken en vaststellen dat bossen herstellen.

Kauppi c.s. hebben een heel eenvoudige methode bedacht om de relatieve voor- of achteruitgang van bossen in één getal vast te leggen. Met de nadruk op relatief. Bos kan vooruitgaan doordat het bosareaal (gemeten in hectares) groter wordt of doordat de boomdichtheid (aantal kubieke meters hout per hectare) toeneemt. Ten slotte kan het bos ook nog wat zwaarder worden: de omrekeningsfactor van kubieke meters hout naar tonnen biomassa kan veranderen.

Kauppi c.s. gebruikten de laatste bosstatistiek van de FAO, de zogenoemde FRA 2005 (op www.fao.org). Per land zijn daarin zowel areaal als boomdichtheid (m3 hout per ha) bijeengebracht. Omdat dit in 1990 ook was gebeurd kon zowel voor het areaal als de dichtheid de procentuele voor- of achteruitgang per jaar worden vastgesteld. Was het areaal in die 15 jaar met 30 procent toegenomen dan werd de areaaluitbreiding simpelweg op 2 procent per jaar gezet. Met de boomdichtheid net zo. Was die met 4,5 procent toegenomen dan werd die op 0,3 procent per jaar gezet. De som van deze twee procentuele toenames op jaarbasis, dus 2,3 procent per jaar in het voorbeeld, is de essentie van de formule waarmee de auteurs hun ‘Forest Identity’ bepalen. Op het gevonden percentage wordt nog een kleine correctie aangebracht voor de variabele verhouding tussen het berekende volume aan hout en de massa daarvan. Daarvoor is een empirische formule uit de VS gebruikt. Of die mondiaal geldig is weet niemand.

algebra

Ingewikkelder is het niet, al ziet het er in eerste oogopslag wel zo uit omdat de Forest Identity ligt ingebed in een plechtig stukje algebra dat uiteindelijk helemaal niet wordt gebruikt. Er is ook niet zo heel veel bezwaar tegen de ruwe methode, zeggen Wageningse bosbouwers. Het valt niet te ontkennen dat verlies aan areaal geheel of gedeeltelijk kan worden goedgemaakt door winst aan boomdichtheid en andersom.

Maar welk nuttig gebruik is er van de Forest Identity te maken? Dat is een goede vraag. De auteurs hebben de FI voor zeven landen in een tabelletje onder elkaar gezet. Brazilië en vooral Indonesië laten een dramatische negatieve waarde zien, maar dat kan niemand verbazen. Er staan heel aardige positieve waarden in bijvoorbeeld China, Japan en Frankrijk tegenover. In China neemt het areaal toe, in Japan de boomdichtheid en in Frankrijk allebei. Het bedrieglijke is natuurlijk dat de veranderingen in procenten zijn uitgedrukt. Zo kan de indruk ontstaan dat de verwoestingen in Indonesië en Brazilië worden gecompenseerd door de bosbijgroei in Luxemburg en Liechtenstein.

Voor de buitenstaander is het misschien een verrassing te vernemen dat de hoeveelheid bos in Europa, en ook die in Japan, Rusland en het oosten van de VS zo toeneemt. De insider weet dat al heel lang. Het is niet voor niets dat in Kyoto-overleg zo eindeloos gedelibereerd wordt over compensaties voor bosbijgroei. Ook in de speurtocht naar de zogenoemde ‘missing sink’, de onbekende plaats op aarde waar kennelijk veel CO2 wordt opgenomen, is geregeld geprobeerd een schatting te maken van de grootte van de bosbijgroei. De stelling van de Deense milieu-scepticus Bjørn Lomborg dat er niet minder maar méér bos op aarde komt is misschien wel juist. Essentieel is het inzicht dat de uitbreidende bossen wat betreft ouderdom en biodiversiteit niet te vergelijken zijn met de tropische regenwouden die in Indonesië en Brazilië voor de bijl gaan. Voor het merendeel zijn het productiebossen die in korte omloop worden beheerd. Veel Europese landen kennen al een of meer eeuwen lang strenge boswetten en handhaven oude bosbouwprogramma’s. In een land als Frankrijk neemt de hoeveelheid bos als sinds 1830 gestaag toen, ondanks de bevolkingsgroei. Een verstandig centraal bestuur dat zijn gezag ontleent aan een goed functionerende democratie is daarvoor misschien onmisbaar.

oude cijfers

Maar Pekka Kauppi c.s. hebben een andere voorwaarde ontdekt: rijkdom. Toen zij voor vijftig landen hun Forest Identity uitzetten tegen het bruto binnenlands product (BBP) per hoofd van de bevolking verscheen een cesuur bij een BBP van 4.600 dollar per hoofd. Lag het BBP hoger, dan groeide het bos. Bij een lagere BBP was er soms groei, maar lang niet altijd. In het rijke Canada leek eigenlijk ook niet veel te groeien, maar dat ligt, menen de onderzoekers, gewoon aan de FAO-statistiek. Die is notoir onbetrouwbaar. Canada had oude cijfers ingeleverd. Zoals een van de Wageningse bosbouwers zich afvroeg: waarom publiceert de PNAS dit soort artikelen eigenlijk?