Loon van de angst

1370

Vorige week zondagochtend wandelde ik na gedane arbeid met een paar vrienden op Brooklyn Heights, het boulevardachtige terras met parkje langs de East River in New York. Het is een merkwaardige constructie, misschien wel een meter of tien hoger dan het wateroppervlak. Beneden raast over een vierbaansweg het snelverkeer. Daarna is er een strook met bedrijfsterreinen, opslagplaatsen, loodsen en dan komt de rivier. Aan de overkant ligt Lower Manhattan, wolkenkrabbers, het oude Woolworth Building en links in de verte het Vrijheidsbeeld. In het parkje heerste de poëtische vrede van de indian summer, de late nazomer. Het stervende blad zat nog aan de bomen, het was in zijn laatste nadagen onwaarschijnlijk geel of rood geworden. Niets te wensen over.

Plotseling sloeg het mobieltje van een van mijn vrienden alarm. Hij keerde zich af, voerde een kort gesprek. „Ik zal het hem zeggen”, zei hij en voegde zich weer bij het gezelschap. „Dat was mijn zwager”, zei hij. „Hij vroeg of ik je wilde vertellen dat de film waarin Yves Montand die grote vrachtwagen met nitroglycerine bestuurt Le salaire de la peur heet. Bij deze.”

Dit vergt een korte inhoud van het voorafgaande. In mijn stukje van vorige week heb ik de toenemende verscherping van de controle op vliegtuigpassagiers behandeld. Nu ook geen vloeistoffen meer mee aan boord. Dat vind ik op zichzelf geen wonder. Een van de gevaarlijkste vloeistoffen is nitroglycerine, een van de bestanddelen waaruit dynamiet wordt gemaakt. Hoe je dat doet, is ontdekt door Alfred Nobel. Hij veronderstelde dat hij een explosief had samengesteld, zo krachtig dat niemand meer oorlog zou durven voeren.

Hij had zich vergist. Sinds Hirosjima en Nagasaki schrijven we de atoombom deze magische vredeskracht toe, maar na meer dan zestig jaar begint de afschrikwekkende werking van deze helse machine zichtbaar te slijten.

Om het gevaar van ontplofbare vloeistoffen te illustreren noemde ik de film met Yves Montand. Maar op dat ogenblik wilde de naam van het meesterwerk me niet te binnen schieten. Dat schreef ik erbij. Toen kwam eerst dit telefoontje uit Nederland. Le salaire de la peur! Hoe had ik het kunnen vergeten! Het loon van de angst, op zichzelf al een vondst van onheilspellende schoonheid. Dezelfde dag nog kwamen de eerste hulpvaardige e-mails; veel met nadere bijzonderheden. Zo dient de nitroglycerine in deze film niet ten behoeve van de kolenwinning (wat ik verondersteld had) maar om de brand in een oliebron te blussen. Deze hele week heb ik mails over Henri-Georges Clouzot en zijn meesterwerk gekregen, en ten slotte nog een telefoon, van Louis van Gasteren die hem persoonlijk gekend heeft. U allen bedankt! Voor iemand die stukjes in de krant schrijft, is het een groot plezier op een aardige manier au serieux te worden genomen.

Le salaire de la peur, gemaakt in 1953, hoort tot de films van een generatie. Hetzelfde geldt voor zijn Les diaboliques (1955) waarin iemand van wie verondersteld wordt dat hij dood is, plotseling uit een volle badkuip oprijst. En nu we het er toch over hebben: de films van Michelangelo Antonioni, met Monica Vitti. (Hoe zou het met haar gaan?) Ik dacht aan La Notte, Il deserto rosso. Ook Amerikaanse films kwamen me voor de geest. Ik vraag u dit niet, ik ga het zelf opgooglen, maar volgens mij is het Asphalt Jungle waarin Richard Widmark grinnikend een oude dame in een rolstoel de trap afduwt. Hoe maakt een acteur zich onvergetelijk.

Sinds de sprekende film in de bioscoop is verschenen, heeft iedere generatie in de loop der jaren een enorm filmarchief ontwikkeld, onzichtbaar opgeborgen in het geheugen. Maar films van lang geleden gaan door elkaar lopen. Dat was toch Anita Ekberg die toen zo mooi het Put the blame on me boy zong? Iemand anders schudt een beetje meewarig het hoofd. Nee jongen, dat was Rita Hayworth, die eerst met Orson Welles getrouwd was, en daarna met de Aga Khan! Stokoude mensen kunnen nog smakelijk vertellen over Hans Albers en Lilian Harvey. Jongere generaties kennen Saving Private Ryan op hun duimpje, over de soldaat die op het strand van Normandië zijn afgeschoten arm opraapt. En verder weten ze alles van Star Trek. Ik noem maar het een en ander.

De laatste veteranen van de Eerste Wereldoorlog (Van het westelijk front geen nieuws) zijn op de vingers van twee handen te tellen. Nu las ik dat er ook al schaarste aan veteranen uit de Tweede begint te komen. Degenen die het uit eigen ervaring weten en er een samenhangend verhaal over kunnen vertellen, worden goud waard. Schatten aan historische informatie ligt in deze geheugens opgehoopt.

De laatste keer dat ik dit merkte was een jaar of drie geleden toen een jongere Amerikaanse historicus betwijfelde of Nikita Chroesjtsjov op 13 oktober 1960 in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties met zijn schoen op de lessenaar had geslagen. Ik maakte er melding van. De mails stroomden binnen. Het stond als een paal boven water: Chroesjtsjov had geslagen. Dat had men met eigen ogen op de televisie gezien. En deze film met Yves Montand heet Le salaire de la peur, dat zal ik niet meer vergeten.