Letterlijk wijzer

Iemand anders weet niet hoe het is om dyslectisch te zijn. Dat is op zichzelf niet erg. Het maakt in principe namelijk niet uit: voor het zelfde geld is de kleur blauw heel anders voor mij dan voor jou. Jij leert leven met jouw kleur blauw en ik met de mijne.

Ik lees heel graag een boek maar nooit om de inhoud. Wat dat betreft, hou ik meer van televisie. Daarom was het fijn dat ik van mijn ouders zo veel als ik wilde naar informatieve programma’s mocht kijken zoals Discovery en National Geografic. Ik heb daar heel veel van geleerd. Mijn zusje bijvoorbeeld, had voor haar Cito-toets de hoogst mogelijke score, alleen bij wereldoriëntatie had ze zes fouten gemaakt. Ik had die vragen juist allemaal goed. Rekenen trouwens ook. Voor taal zat ik bij de laagste 2 procent van Nederland.

Vroeger vond ik het vervelend dat ik dyslexie had omdat ik niet aan het verwachtingspatroon kon voldoen. Achteraf had ik misschien liever op een Montessorischool gezeten. Dan was het minder erg geweest als ik fouten had gemaakt en had ik het in mijn eigen tempo kunnen doen. Al zeiden ze bij een test die ik ooit heb gedaan, dat veel structuur belangrijk is – dus ik weet eigenlijk niet wat beter geweest was. Nu sta ik er anders tegenover. Kijk, als je goed in dingen bent, ben je gaaf. Daar trek je je aan op. Maar toen had ik het gevoel dat ik dom was. Leraren doen dan soms bot, zij voelen zich schuldig omdat het ze niet lukt jou de taal goed over te brengen. Vooral als je verder wel goed kunt leren.

Ik heb een onderwijzer gehad die mij altijd veel vertrouwen gaf, dat was prima. Ook waren er leraren die er rekening mee hielden. Bijvoorbeeld met proefwerken, dan mocht het ook wel eens mondeling. Dat is dan heel ondersteunend. Maar er blijven altijd leraren die het probleem niet zien of denken: dat moet hij dan maar gewoon leren en dat is niet fijn. School is er in ieder geval veel minder leuk door geweest – ik ging liever niet naar school. Nu is het niet meer zo erg. Ik hoef nu geen woordjes meer te leren, het gaat meer om begrip.

De computer kan een hulpmiddel zijn door de spellingscontrole, maar dan moet ik eerst goed leren typen. Dat zou inderdaad verstandig zijn, maar daar heb ik dan weer niet zo veel zin in. Dat komt denk ik ook omdat ik schrijven niet leuk vind. Voor mijn studie – want ik wil graag gaan studeren – moet ik het wel doen. Ik kan nu wel lezen en redelijk schrijven. In groep 7 heb ik bijles gehad. Ik leerde trucjes hoe ik bijvoorbeeld kon onthouden dat het dicht is en niet digt. Daar was het ook nooit erg als het niet goed ging. Op bijles was overal een oplossing voor. Eerst probeerde ik het altijd te camoufleren, door een beetje te raden wat er stond. Dat kostte veel energie. Door die regels en trucjes kreeg ik meer zekerheid. Dus ik ben letterlijk wijzer geworden. Een voordeel is wel, denk ik nu, dat je er andere capaciteiten mee ontwikkelt. Je komt sterker terug uit de strijd. De belangrijkste manier er over heen te komen, is je niet te schamen en te weten dat je niet dom bent. Het is denk ik ook zo dat je zonder dyslexie evenwichtiger bent. Nu gaan sommige vakken me heel gemakkelijk af, zoals wiskunde en economie. Voor de talen was het moeilijk een voldoende te halen. Talen zijn trouwens wel gemakkelijker geworden. Ik begrijp het en dat is eigenlijk wel voldoende.

Het dyslectisch zijn beïnvloedt ook mijn studiekeuze. Ik ga natuurlijk een studie doen waarvoor ik zo min mogelijk hoef te schrijven. Geen geschiedenis dus, hoewel ik dat wel leuk zou vinden. Ik overweeg nu economie. Daar moet je wel veel voor lezen, maar het gaat ook om een manier van denken en rekenen. Ik had graag naar Delft gewild, maar in de vierde ben ik blijven zitten, vooral op natuur- en wiskunde. Dat had er mee te maken dat ik moeilijk formules uit mijn hoofd kan leren. Ik wil het allemaal graag zelf uitvinden en daar heb ik dan te weinig tijd voor. Nu haal ik wiskunde B in, om eventueel econometrie te kunnen gaan studeren. Ik moet overigens nog wel eindexamen doen hoor, maar ik heb er alle vertrouwen in.