Laat maar schuiven

rudi matthee. the pursuit of pleasure: drugs and stimulants in iranian history, 1500-1900. geïll., 346 blz., princeton university press. isbn 0 691 11855 8. Prijs: $39.50.

Dirk van Delft

Aan het eind van de zestiende eeuw was Iran het eerste land buiten Amerika en Spanje waar volop gerookt werd. Tientallen jaren vóór tabak in Europa uitgroeide tot een genotmiddel voor de massa, besteedden Iraanse werklieden hun dagloon allereerst aan tabak; het resterende bedrag was voor brood en fruit. Koffiehuizen hadden bassins om waterpijpen te vullen, op straat was tabak overal te koop en een zeventiende-eeuws Iraans gezegde stelde koffie zonder tabak gelijk aan soep zonder zout. Oud en jong, arm en rijk, man en vrouw, iedereen rookte met volle overgave.

De ulama (moslimgeestelijkheid), bang dat het nieuwe genotmiddel zou afleiden van het geloof, zag dit alles met argusogen aan. Omdat de koran en aanverwante teksten geen melding maakten van tabak, en de schadelijkheid van tabak niet zonneklaar bleek, riepen pogingen de tabaksconsumptie de kop in te drukken veel discussie op. Ook krabde de overheid zich na ieder verbod achter de oren vanwege gederfde belastinginkomsten. En de ulama telde zelf vele verslaafden.

Aldus verwierf tabak zich een vaste plek in het maatschappelijke leven in Iran. Gasten kregen direct een waterpijp aangeboden en een negentiende-eeuwse westerse waarnemer noteerde dat wanneer de pijp voor de derde keer werd aangereikt, het de hoogste tijd was om te vertrekken – pas in de twintigste eeuw maakte de waterpijp plaats voor de sigaret.

In de Iraanse economie speelde tabak een belangrijke rol. In 1891 braken overal in het land onlusten uit toen de overheid een Britse maatschappij een concessie aanbood aangaande de verkoop, distributie en export van alle Iraanse tabak gedurende vijftig jaar. De ulama steunde het protest: ongelovige buitenlanders gingen Iraanse tabak onrein maken.

Tabak is een van de genotmiddelen die figureren in het boek The Pursuit of Pleasure: Drugs and Stimulants in Iranian History, 1500-1900 van de Amerikaans-Nederlandse Iranist Ruud Matthee. Waar westerse academici zich bij de studie van het oude Iran vroeger vooral richtten op de rijke klassieke poëzie (Rumi, Hafez, Omar Khayyam) die het land heeft voortgebracht, is er de laatste jaren toenemende aandacht voor de sociaaleconomische geschiedenis.

Matthee, hoogleraar aan de universiteit van Delaware, is van die stroming een van de belangrijkste exponenten. Na zeven jaar geleden de zeventiende-eeuwse Iraanse zijdehandel in kaart te hebben gebracht, komt hij nu met een boek over de rol van genotmiddelen in de Iraanse geschiedenis. Een rijke studie die steunt op een vracht archiefmateriaal. Het boek, fraai uitgegeven en mooi geïllustreerd, richt zich op een veel breder publiek dan specialisten op het gebied van Iran of het Nabije Oosten. Wat niet wegneemt dat op sommige plaatsen de geïnteresseerde leek het gevoel bekruipt iets te veel van het goede aangeboden te krijgen.

Wijn, opium, tabak, koffie en thee: ze vonden hun weg naar de Iraanse samenleving en stuk voor stuk gaven ze aanleiding tot spanningen tussen het wereldlijk en geestelijk gezag. Oudste van die genotsmiddelen is wijn – kannen met wijnresten van ruim zevenduizend jaar oud maken Iran tot een van de eerste gebieden met wijnbouw. Hoewel de koran het drinken van wijn expliciet verbiedt, wist de elite er wel raad mee, terwijl ook soefi-dichters, vertegenwoordigers van de mystieke traditie in de islam, er hun inspiratie aan ontleenden.

Aan het Iraanse hof, dat ten tijde van de heerschappij van de Safaviden (1500-1800; de naam is afgeleid van een Turkmeense sjeik), in Isfahan zat, werd flink gedronken, naast wijn ook aquavit en wodka. Het was heel gewoon dat de sjah zijn buitenlandse gezanten ontvangsten gedrenkt in alcohol bereidde. Diverse sjahs gingen aan de drank ten onder. Wel verschoof de drankconsumptie aan het hof gaandeweg van het publieke naar het private domein. Af en toe wist de geestelijkheid verbodsbepalingen gedaan te krijgen, maar nooit voor lang. Toen soldaten in 1621 geen wijn meer mochten drinken en op opium overstapten, kwam dat de gevechtsprestaties niet ten goede. Snel veranderde de sjah het verbod op wijn in een verbod op opium. Maar ook dat hield niet lang stand.

Met opium ging het op het eind van de negentiende eeuw mis toen de Iraanse bevolking, in plaats van het te slikken, massaal (ongezuiverde) opium begon te schuiven (roken). Het rondgaan van de pijp werd een sociaal gebeuren. Opium nam de plaats in van zijde als een van de weinige lucratieve exportproducten. Tegelijk raakte een groot deel van de bevolking verslaafd: mannen, vrouwen en kinderen. Effectieve maatregelen kwamen er pas na de Constitutionele Revolutie van 1905-1911.

Ten slotte koffie en thee. Koffie kwam uit Jemen en deed zijn intrede in Iran aan het eind van de zestiende eeuw. Met de koffie deed ook het koffiehuis zijn intrede. Verhalenvertellers en derwisjen zorgden voor vertier en contemplatie: het koffiehuis als verlengstuk van de moskee. Maar ook vonden er minder verheven dansoptredens plaats, men gaf zich over aan bordspelen en er hingen schandknapen rond. En altijd was er het gevaar dat koffiehuizen uitgroeiden tot broeinesten van volksverzet. Diverse keren trad de overheid op, maar steeds keerden de koffiehuizen terug – hun sociale functie was te sterk. Later werd in de koffiehuizen vooral thee geschonken.

The Pursuit of Pleaure brengt een wereld in beeld die velen onbekend zal zijn. Aldus krijgt het huidige theocratische regime historisch perspectief. De verhouding tussen wereldlijk en geestelijk gezag, zo laat Matthee keer op keer zien, is in het Iran van de periode 1500-1900 onderhevig aan forse schommelingen. Geconfronteerd met de weerbarstige praktijk, knepen de shi’itische geestelijken vaak een oogje toe, zolang genotsmiddelengebruik tot de privésfeer beperkt bleef en geen bedreiging vormde voor de sociale orde. ‘Een flexibiliteit’, aldus Matthee, ‘die ook onder de onbuigzame buitenkant van de huidige Islamitische Republiek nog altijd zichtbaar is.’