Kiezen tussen slijmerige kikkers en fiere adelaars

Congo heeft deze week een president gekozen. Maar dat maakt het land nog niet tot een democratie. Het volk heeft in Afrika niets te zeggen. „Corrupte leiders schamen zich niet.”

Het oude autoritaire Afrika is stervende. Het nieuwe democratische Afrika is nog niet geboren.

Jeugdige stadsbewoners luisteren naar ondeugende rapmuziek, ze telefoneren op hun flitsende mobieltje naar FM-stations en geven op de radio recht voor de raap een mening, hun eigen mening. De politici weten geen raad met individuele keuzes. Net als vroeger spelen ze in op de Afrikaanse gemeenschapszin en vergaren hun stemmen op basis van stamafkomst. Impopulaire regeringen worden tegenwoordig weggestemd, maar dezelfde politici keren terug in het volgende kabinet. Er is politieke ruimte geschapen voor de oppositie maar eenmaal aan de macht gedraagt deze zich als de voorganger. Alle krijgsheren, despoten en militaire dictatoren mogen zich tegenwoordig democraat noemen, als ze maar gekozen zijn.

De democratische travestie bereikt deze maand haar climax in Congo. Verkiezingen zijn het wondermiddel dat een einde moet maken aan het opportunistische steekspel van krijgsheren. Westerse landen die met vierhonderd miljoen dollar het ‘democratiseringsproces’ financieren, willen de werkelijkheid van wanbestuur en corruptie niet zien.

Joseph Kabila en Jean-Pierre Bemba, de twee kandidaten voor het presidentschap die na de eerste ronde waren overgebleven, ontberen iedere democratische kwalificatie. Enkele uren voor de uitslag van de eerste ronde bestormden Kabila’s troepen het zwaar bewapende huis van Bemba in Kinshasa. Drie dagen lang klonk er in en rond het stadscentrum hevig geweervuur. Er vielen officieel 23 doden en Bemba’s helikopter voor zijn verkiezingscampagne ging in vlammen op. De twee krijgsheren hadden het land bijna opnieuw in een oorlog gestort.

Onder grote internationale druk besloten Kabila en Bemba elkaar vorige maand te ontmoeten. Hartelijk werd het onderhoud niet. Het blad Jeune Afrique deed verslag van hun gesprek.

„Waarom heb je geprobeerd me te vermoorden?” begon Jean-Pierre Bemba de bijeenkomst.

„Ik weet dat je me niet gelooft, maar ik verzeker je: ik wil je niet dood”, antwoordde Kabila. „Trouwens, waarom blijf je steeds zeggen dat ik geen volbloed Congolees ben?”

Waarop Bemba terugkaatste: „Waarom blijf je mij een kannibaal noemen?”

Nog steeds kan het tot een oorlog tussen het tweetal komen, nu de Congolese Kiescommissie Kabila woensdag tot winnaar uitriep. Bemba legt zich niet bij zijn nederlaag neer.

Congo kende nooit behoorlijk bestuur, maar het houdt nu wel de schijn op dat het een democratisch bestuur invoert. Tot nu toe hebben de leiders van Congo altijd roofbouw op de staat gepleegd. President Mobutu die het land van 1965 tot 1997 bestuurde, zei ooit: „Mijn gezicht staat op ieder bankbiljet dus al dat geld is van mij.” Het hoofd van de Rekenkamer in de hoofdstad Kinshasa concludeerde vorig jaar: „In Congo is de staat van iedereen, dus kan iedereen de staat misbruiken. Corrupte leiders schamen zich niet.”

Geldzakken

Tegen het einde van de Koude Oorlog zestien jaar geleden begonnen Afrikaanse staten met de democratisering. Maar bestuurders houden zich echter nog steeds niet aan de democratische regels. Zambia voerde als een van de eerste Afrikaanse staten in 1990 het meerpartijenstelsel in. Eind september gingen de Zambianen weer naar de stembus. Maar democratie is meer dan meerpartijenverkiezingen houden. „De democratie van Zambia zal niet floreren, als we niet leren de wetten en de instellingen die bij democratie horen te respecteren”, oordeelde professor Chrispin Matenga van de Universiteit van Lusaka na de verkiezingen. „De rechterlijke macht zou onafhankelijk moeten kunnen opereren. De Anti-Corruptie Commissie zou niet selectief te werk moeten gaan en de Verkiezingscommissie zou zonder inmenging van buiten af dienen te functioneren.”

Ook in Nigeria kon de invoering van het meerpartijenstelsel niet voorkomen dat geld de spil van het machtsspel bleef. Auto’s vol met bankbiljetten reden ongegeneerd af en aan in het stadion in Jos waar de Nigeriaanse regeringspartij van president Olusegun Obasanjo haar conventie hield om een presidentskandidaat te kiezen. „Geldzakken” noemen cynische Nigerianen hun politici. In Afrika’s volksrijkste natie groeide een curieuze symbiose tussen zakenwereld, politiek en het leger. Hoewel er in Nigeria in 1999 een einde kwam aan de militaire dictatuur blijft de democratie een toneelstuk van de elite. De ruim 120 miljoen Nigerianen hebben nog steeds niet vrij en eerlijk kunnen kiezen. Intimidatie en fraude verhinderen iedere keer weer een vrije gang naar de stembus. President Obasanjo manipuleert de democratische regels. Hij probeerde net als zijn collega’s in Malawi, Zambia, Tsjaad en Oeganda de grondwet te veranderen om na twee regeertermijnen niet te hoeven aftreden. Intussen voert Obasanjo campagne voor behoorlijker bestuur op het continent.

Bij de dekolonisatie in de jaren zestig namen Afrikaanse staten de bestuursvormen van de vroegere heersers over, inclusief symbolen als Britse pruiken en toga’s, en Franse cavalerietenues. Wat ontbrak was een sterke overheid, een geschoolde bevolking, een middenklasse, een onafhankelijke pers, een onafhankelijke rechterlijke macht en democratisch georganiseerde partijen. Allemaal pijlers van de democratie. De nieuwe Afrikaanse elites waren niet gediend van concurrentie en introduceerden de eenpartijstaat.

De kiezer kreeg de keuze tussen slijmerige kikkers en fiere adelaars. Volgens de filosofie van de eenpartijstaat werken concurrerende regio’s, religies en stammen samen binnen de enige toegestane partij. Zo worden fragiele naties niet verscheurd door tegenstellingen. De filosofie faalde. Regeringspartijen roestten vast. Ze konden geen pluriformiteit verdragen en werden instrumenten van onderdrukking. Alleen voor de vorm deed bij verkiezingen een tegenkandidaat mee. In Zambia mochten de bewoners op een kikker stemmen als alternatief voor de presidentiële adelaar. Nooit won een kikker van een adelaar.

Na de val van de Berlijnse muur konden autoritaire regeringen en despoten de supermachten niet langer tegen elkaar uitspelen. Falende regimes konden niet meer rekenen op steun van Moskou, Parijs, London of Washington. De ommekeer begon in 1989 in het West-Afrikaanse staatje Benin. De bewoners waren de eenheidsworst beu. Ze ageerden tegen de wijdverspreide economische misère, kwamen in opstand en dwongen de regering meer partijen te accepteren. Overal op het continent kwam de politieke elite onder druk te staan. Er volgden spontane democratiseringsprocessen in Togo en in Congo-Brazzaville. In het Engelstalige Afrika nam Zambia het initiatief, waarna ook Kenia en Malawi de politieke pluriformiteit introduceerden. Ze noemden het bombastisch „de tweede bevrijding”.

Niemand hoeft meer te fluisteren uit angst voor geheimagenten van de machthebbers. De politieke cultuur van de onaantastbare herder en de makke schaapjes die volgen, vervaagt. Maar het oude Afrika van gehoorzaamheid aan de (stam)leider is nog lang niet uitgestorven en politici blijven die volgzaamheid gebruiken.

Papegaaien

Traditioneel hechten Afrikanen grote waarde aan vorm. Leeftijd en afkomst bepalen onderlinge verhoudingen in clans, familie of op school. Respect is een hoofdzaak. Nog niet zo lang geleden kroop een leerling onder het bed wanneer de onderwijzer thuis op bezoek kwam. Een kind zweeg wanneer de ouderen spraken. Een vrouw hield eerbiedig de mond als haar echtgenoot zijn besluit nam.

Die gewoontes hebben consequenties voor de politiek. De voormalige Keniaanse president Moi zette in 1984 de toon voor zijn bewind met de woorden: „Ik sommeer alle ministers, onderministers en iedereen om te zingen als papegaaien. Jullie zingen wat ik zing.”

Verkiezingen houden niet voor iedereen een vrije, individuele keus in. De vraag op wie ze ging stemmen, bracht bij Elisabeth Chesugut in het Keniaanse dorpje Tuloneen een blik van verbazing op haar gerimpelde gezicht. Na enig aandringen antwoordde ze: „Dat weet ik pas de komende dagen als de wijze oudsten van mijn stam me hebben verteld op wie ik mijn stem moet uitbrengen.”

Tussen Afrikaanse burgers en hun leiders gaapt een kloof. Burgers zijn communaal en hoopvol ingesteld, politici individualistisch en cynisch. Bij afwezigheid van sterke nationale instellingen spelen personen met gigantische ego’s de hoofdrol in het machtsspel. Een minister wordt bij verkiezingen niet beoordeeld op zijn staat van dienst, maar op zijn afkomst en presentatie. Corrupte maar flamboyante politici kunnen democratische gekozen presidenten worden, als ze maar weten te manipuleren. De politieke leiders van vroeger creëerden een magische waas om zich heen. Ze waren onaantastbaar en ministers en volgelingen knielden aan hun voeten. Presidenten van nu gedragen zich aardser maar blijven autoritaire heersers naar het voorbeeld van de traditionele stamleiders.

De nieuwe politieke elite komt voort uit de oude en lijkt daar verdacht veel op. De zege van de oppositie in Kenia eind 2002 onder Mwai Kibaki maakte een einde aan een kwart eeuw dictatuur door de regeringspartij Kanu. Het nieuwe regime luidde geen tijdperk in zonder corruptie en geheime akkoorden. De samenstelling van de regering veranderde, maar de ongrijpbare lobby achter de schermen bleef. Dat informele netwerk van zakenlui, politici, stamleiders en voormannen van geheime genootschappen behield zijn invloed op de overheid en belemmert goed en transparant bestuur. In iedere land staat een coterie achter de machthebbers: van Tigrayers in Ethiopië, van Kikuyu en Kalenjin in Kenia, van Beti in Kameroen. De staat lijkt vaak niet meer dan een decor. De democratie als schimmenspel.

Het informele stelsel van machthebbers dateert uit het oude, staatloze Afrika. Om te kunnen overleven zoekt iedereen een beschermheer en weldoener, om onderdeel te worden van diens netwerk. ‘Smeergeld’ werd een onderdeel van de sociale omgang, een deel van het dagelijkse leven en niet het werk van schurken. De netwerken hebben verplichtingen aan familieleden, stammen, clans, regio’s en religie.

Daags na een verkiezingszege bestormen gretige familieleden en clan- en stamgenoten de kantoren van de nieuwe ministers. Het allereerste besluit van de nieuwe parlementsleden in Kenia was om zichzelf een forse loonsverhoging te geven. Minister van Buitenlandse Zaken, Raphael Tuju, verdedigde het besluit zonder blikken of blozen. „Als je bent gekozen, verwachten de kiezers dat je ze terugbetaalt. Wij parlementsleden hebben daarvoor geld nodig.”

Het patronagesysteem is springlevend in Kenia. Onder de vorige president Moi verdween naar schatting één miljard dollar door de nepexport van goud. Onder de huidige president Kibaki stalen politici enkele honderden miljoenen dollars door het opstellen van nepfacturen voor paspoorten en militair materiaal. In Kenia is onder het meerpartijensysteem nog geen enkele hoge politicus veroordeeld wegens corruptie.

Krijgsheren

Vrijwel alle Afrikaanse staten vallen op door een grote mate van chaos. De heersers verdelen functies onder hun cliënten op basis van patronage, niet op grond van verdiensten. Een analfabeet kan dus minister van Onderwijs worden, een krijgsheer minister van Wederopbouw. De staat wordt een lege huls, niet of nauwelijks door de bevolking erkent.

Volgens de Congolese Rekenkamer gaven president Kabila en zijn vier vice-presidenten in 2004 twee keer zoveel geld uit als ze volgens hun begroting ter beschikking hadden. Tegelijkertijd spendeerde het ministerie van Gezondheid minder dan de helft van haar begroting.

In Congo kom je aan de macht voor eigen gewin. Mobutu begon begin jaren negentig zijn versie van democratisering en richtte tweehonderd politieke partijen op. Politieke partijen in Afrika zijn geen instellingen die mensen en hun ideeën vertegenwoordigen. Als ze al iets vertegenwoordigen, zijn het sektarische belangen.

In Congo wordt verwacht van partijen die speciaal voor deze verkiezingen zijn gevormd dat zij de democratie vorm gaan geven en behoorlijk bestuur vestigen. De voormalige krijgsheren die een faam hebben als onderdrukkers en plunderaars, moeten zich gaan gedragen als verantwoordelijke ministers. Cynisme elders in Afrika over het gehalte van de democratisering verandert in Congo gemakkelijk in wanhoop.

Mannen in gerafelde kleren klommen in een kuil in de Congolese provincie Katanga. Ze maakten bakstenen om het schooltje te herbouwen in hun vernietigde dorp Kato. „We hebben nooit een gekozen leider gehad in Congo. Iedereen nam de wapens op om president te worden”, zei iemand die de klei uit de kuil schepte. „Misschien kunnen verkiezingen een einde maken aan het geweld.”

Afrika-kenners als Jean-François Bayart en Patrick Chabal spraken enkele jaren geleden al hun twijfels uit over de democratisering in hun spraakmakende boeken The state in Africa, the politics of the belly en Africa Works, disorder as political instrument. „Er zijn op het continent vrijwel geen staten die voldoen aan het criterium van een Westerse staat”, schreef Chabal. „Het zou daarom onjuist zijn aan te nemen dat Afrika ten zuiden van de Sahara bezig is een Westerse vorm van democratie te adopteren.”

Toch is democratie Afrika niet vreemd. In stamverband bestaat er ruimte voor tolerantie en saamhorigheid. De Oromo’s in Ethiopië kennen al eeuwenlang een traditie van volksparlementen. Clanoudsten van nomadische volkeren beslechten geschillen onder een boom, de ‘boom van gerechtigheid’. In het moderne Mali mogen dorpsbewoners zelf beslissen over de besteding van overheidsgelden. Die democratische gezindheid blijkt ook bij verkiezingen als burgers urenlang geduldig in de rij staan om te stemmen.

Het belangrijkste effect van de introductie van het meerpartijenstelsel zestien jaar geleden is misschien wel de opkomst van een sterk maatschappelijk middenveld, de civil society.

Spontaan opgerichte actiegroepen ageren tegen wanbeleid en voor een beter milieu. In een uniek burgerprotest gingen Kenianen onlangs de straten op om te demonstreren tegen corruptie. Nooit eerder kwamen ze zo georganiseerd op voor hun rechten. De politieke elites zijn nog steeds rijk genoeg om de volkswil te negeren. Maar ze moeten wel steeds meer moeite doen om aan de macht te blijven.