Journalisten, kijk kritischer in de spiegel

Tussen burger en politiek botert het vaak niet, maar wat is eigenlijk de rol van de pers en de media hierbij? Rein Jan Hoekstra vindt dat journalisten zich vaker moeten beschouwen als dragers van een publiek ambt. Dat betekent dat de wensen en opvattingen uit de samenleving moeten worden gefilterd, en zo nodig weersproken. Marc Chavannes ziet de rolverwarring en branchevervaging binnen de journalistiek als een groot probleem. Hij wil meer kritische journalistiek over de journalistiek.

Redacteur van NRC Handelsblad en hoogleraar journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Woensdagavond opende het tv-programma Nova de uitzending met de jongste Politieke Barometer en deze vraag: „Mijnheer Rouvoet, is dit een beetje de electorale meltdown van de PvdA van Wouter Bos?” De leider van de ChristenUnie was zo verstandig erop te wijzen dat de peilingen nogal uiteenlopen en dus met een korrel zout moeten worden genuttigd. Desalniettemin was de tendens duidelijk, zei hij, de PvdA heeft het moeilijk. Nog niet tevreden met zijn buit, wendde de presentator zich tot de in het publiek opgestelde onderzoeker van het Bureau Interview/NSS. Die had er maar één omschrijving voor: „Een vrije val, een gat van dertien zetels in drie dagen. Een vrije val heeft de neiging zichzelf te versterken.” En toen schakelde Nova over naar Tilburg, waar Wouter Bos met deze ‘feiten’ werd geconfronteerd: „Meneer Bos, ik wil het niet erger maken dan het is, maar u verliest in één weekend zes zetels, zes zetels. En die gaan naar Oss, naar Jan Marijnissen.” De PvdA-leider veinsde luchthartigheid: „Als je ze in één weekend verliest, kun je ze ook in twee dagen weer winnen.”

Met deze opeenvolging van vragen is zoveel mis en tegelijk zoveel samengevat over de praktijk van verkiezingen in Nederland dat we er geruime tijd over kunnen spreken. Bij menig weldenkend mens komt dan al snel het verlangen op om peilingen te verbieden, of de journalistiek, of allebei.

Hoekstra wil het mes niet te diep in het mystiek lichaam der journalistiek planten, maar het is helder dat hij meent dat de journalistiek niet de rol vervult die zij zou behoren te spelen in een gezonde democratie. De media moeten ‘oog en oor’ zijn van de samenleving. Niet alleen de wensen van jan en alleman doorgeven aan de politiek, maar die wensen onderweg ook wegen. De media „oefenen een publiek ambt uit”, zegt de voorzitter van de Nationale Conventie, en hij constateert dat de pers daarbij dezelfde fout maakt die de Conventie het parlement ook aanwrijft: zij loopt te veel aan de hand van het landsbestuur.

In de Conventie-analyse van ons parlementair bestel is veel te herkennen. De Tweede Kamer laat zich gek maken door de tv van de vorige avond en de krant van vanochtend. Het spoeddebat dat ’s middags volgt geeft Den Haag Vandaag weer een actueel kluifje en zo draait de Haags-nieuwscentrifuge door. Bijna altijd gaat het over details van de uitvoering van het beleid. De ban van de actualiteit is onverbiddelijk. Daarom debatteert de Kamer met de bewindspersoon over Lingo en de trein van 7.48 uur uit Lage Zwaluwe.

Iedereen verwerpt dit politieke kluitjesvoetbal, maar er zijn kennelijk krachten binnen de politiek en de journalistiek die de verleiding te groot maken.

De Amsterdamse politicoloog Jos de Beus ontwikkelt nuttige begrippen rond het thema ‘toeschouwersdemocratie’. Hij constateert dat diegenen worden gekozen die het best een persoonlijke langeafstandsrelatie met de kiezer weten op te bouwen. Een gevolg daarvan is dat het mandaat dat de gekozenen krijgen door middel van verkiezingen steeds vager wordt. Het is immers niet gebaseerd op dedetails of zelfs maar de hoofdlijnen van het verkiezingsprogramma. Wat de gekozene ermee doet is dus ook afhankelijk van een permanent te verdienen vertrouwen, dat kan omslaan als het weer.

Deze voortdurend interactieve vertrouwensband wordt in werkelijkheid onderhouden via en door de media. Televisie, radio en kranten fungeren als presentatiekanaal én als smaakmaker, als recensent. De vragensteller van Nova en alle collega's jurerende nieuwsbrengers bepalen dat het bergafwaarts gaat met Wouter Bos, zonder er een moment aan te herinneren dat de enige uitslag die telt die van 22 november is.

Hoe komt het dat ons politiek debat de grote kwesties niet efficiënter kan aanpakken, ook niet buiten verkiezingstijd? De Nationale Conventie zegt dat de Tweede Kamer moet ophouden mee te besturen, en zich niet via een gedetailleerd regeerakkoord in het coalitiepak moet laten naaien. Controleren op de hoofdlijnen die het kabinet, met de zegen van de coalitiepartners, zelf heeft vastgesteld.

Natuurlijk is er de eeuwige consensusdwang in een land van minderheden. Moet daarom de zinnige droom van meer dualisme altijd wijken? Is mede-uitoefening van de macht in een toeschouwers- en polderdemocratie zo lokkend? Het resultaat is collectieve onmacht. Dat is het politieke deel van het probleem.

Het journalistieke deel van het probleem schuilt in een aanzienlijke rolverwarring bij sommige journalisten. Veel zogenaamd mediagedrag valt overigens niet onder journalistiek. Is RTL Boulevard journalistiek? Dat is wel het programma waar de minister-president deze week een avond gastredacteur was. De kandidaten waren te zien in een reeks entertainmentprogramma’s op de publieke en de commerciële tv. De spin doctors weten dat veel mensen de journalistieke programma’s niet bekijken. Zij hopen dat hun kandidaten in ‘Blind Date’ of ‘Mating Island’ de menselijke kant kunnen laten zien die de sleutel is voor zijn een-op-eenrelatie met iedere kiesgerechtigde Nederlander.

Is dat allemaal journalistiek, die shows vol zaklopen en babbelmomentjes, waarin een kandidaat zich desnoods naar een kinderboerderij laat ontvoeren? Het is politieke communicatie, maar de journalistiek als poging om mensen zo goed mogelijk te informeren over maatschappelijke vraagstukken houdt wel ergens op. Een kandidaat in een sport-programma? Wouter Bos als Feyenoordfan begaan met de oude wijken?

Deze grootschalige branchevervaging maakt de noodzaak alleen maar klemmender voor de echte journalistiek zich te onderscheiden door serieus werk te maken van haar taak. Maar ook journalistieke journalisten voelen de verplichting tot succes: kijkcijfers voor tv-journalisten, genoemd en geciteerd worden voor andere collega's. Van de burger wordt in deze mediawerkelijkheid een steeds scherper analytisch vermogen vereist om vast te stellen of hij te maken heeft met nieuwsfeiten of carrièrestappen van een journalist.

In Groot-Brittannië heeft Financial Times-journalist John Lloyd What the Media are doing to our Politics scherpe kritiek geleverd op de standaard-negatieve houding van politieke journalisten tegenover de species die zij onderzoeken en beschrijven. Daarmee maken zij ‘de politiek’ verdacht, ten koste van het vertrouwen in de representatieve democratie, is zijn stelling.

Over de journalistieke verhoudingen in Nederland heeft oud-Elsevier-hoofdredacteur en nu Volkskrant-columnist H.J. Schoo een behartigenswaardig essay geschreven in de net verschenen bundel Zuiver op de Graat – Hoe integer is Nederland? Zijn stuk draagt niet voor niets de titel Een Ongeregeld Zootje. Er zijn te veel journalisten om van een coherente beroepsgroep te spreken. Bovendien is het geen beschermd beroep. Men wordt makkelijker journalist dan loodgieter. Na het verdwijnen van de verzuilde verbondenheid was ‘professionaliteit’ voor journalisten een tijd het keurmerk. Niet meer, schrijft Schoo. Individuele zelfregulering zou het beste zijn, maar wie ziet er op toe? Vandaar steeds weer De Roep om Controle op wat ‘de media’ voortbrengen. Minister Donner opperde in 2004 nog iets toezichthoudends en voorspelde, correct, dat het hele commentariaat over hem heen zou vallen. Hoekstra bepleit om met een Ombudsman te experimenteren. Net als in het verzekeringsbedrijf. Wie op aanraden van zo’n bedrijf in het bezit is van een beleggingshypotheek, verlangt misschien naar een meer proactieve formule.

Wij journalisten moeten nooit veel hebben van regels en pottenkijkers. Met een verwijzing naar autoritaire tijden noemen wij het woord persbreidel in de hoop de controleurs weer voor een tijdje van het erf te jagen. Voor de buitenwereld niet erg overtuigend. Ook artsen beroepen zich op hogere normen en een Griekse voorganger, en toch willen wij als patiënten graag ergens kunnen aankloppen bij vermoeden van tekortschietend medisch handelen.

In een vorige week in Leiden verdedigde dissertatie constateert de Rotterdamse advocaat Mentink dat de Raad voor de Journalistiek lijdt onder een gebrek aan gezag. Het overgrote deel van de uitspraken van de Raad doet kwalitatief overigens niet onder voor wat de rechter in soortgelijke zaken er van maakt. Mentinck doet voorstellen om de Raad efficiënter én verplichtender te maken en denkt dat het nodig is dat de wetgever dreigt met een wet als het binnen een paar jaar niet vrijwillig is geregeld. Voorlopig zie ik het meeste heil in meer kritische journalistiek over de journalistiek.

In de Verenigde Staten, waar het begrip objectiviteit veel verder van zijn ankers is losgeslagen dan hier, bestaat een levendige journalistiekkritiek. Hier heeft het internetvakblad De Nieuwe Reporter in een jaar een bemoedigende plaats opgebouwd in dat opzicht. Er zit niets anders op dan dat we elkaar op het rechte pad houden als dit toch een mediademocratie is geworden.

Het wachten is op de burgers. In de VS heeft zich de laatste jaren een parajournalistieke cultuur op internet ontwikkeld. Daaraan nemen burgers van allerlei pluimage deel, buurtactivisten, stembusfraudewakers, universitaire juristen en Irak-kenners, politieke stokebranden, alles. In de ‘blogosfeer’ zijn missers van de pers gecorrigeerd en politieke slogans doorgeprikt. Senator Allen uit Virginia, die hoop had op het Witte Huis in 2008, werd door webschrijvers achtervolgd met zijn eigen bedekt-racistische campagne-uitspraken. Hij was vorige woensdag de laatste Republikein die zijn zetel verloor.

Ondanks de overideologisering en over-commercialisering van de media trekt het schip van de Amerikaanse volksdemocratie zo langzaam weer recht. Waar wacht het Nederlandse volk nog op?

Dit artikel is gebaseerd op een uitgebreidere reactie van de auteur op de stellingen van Hoekstra in de Thorbeckelezing.