‘Ik maakte hier mijn droomtentoonstelling’

In het Gruuthusemuseum in Brugge stelde Jos Koldewij een expositie samen met aandenkens aan bedevaarten en schilderijen waarop die aandenkens worden gedragen.

Op het plein voor het Gruuthusemuseum in Brugge vestigen enkele bordkartonnen middeleeuwse pelgrims met staf en kaproen in verscheidene talen de aandacht op de tentoonstelling Geloof en Geluk met als ondertitel ‘De middeleeuwse pin: laat u (n)iets op de mouw spelden’. Maar binnen lijkt de baliemedewerkster haar best te doen om belangstellende bezoekers juist weer weg te krijgen. Nadrukkelijk vertelt ze dat de in reisgidsen vermelde vaste collectie, waaronder middeleeuwse tapijten, meubels en een verdwaalde guillotine, niet te zien is. Binnen een half uur maken zeker vijfentwintig mensen daarom rechtsomkeert.

„Een fout van de organisatie”, zegt Jos Koldeweij, hoogleraar kunstgeschiedenis van de middeleeuwen aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, „want ze moeten eigenlijk duidelijk maken dat er nu meer te zien is dan anders.” Koldeweij is de samensteller van een grote en bijzondere tentoonstelling die met het vijftiende-eeuwse stadspaleis van de Heren van Gruuthuse als decor zijn verfrissende en voor sommige kunstpuristen controversiële kijk op de late middeleeuwen geeft.

Centraal staan goedkope tinnen insignes in vele vormen, die tussen 1300 en 1550 als souvenir aan een bedevaart, als teken van devotie of als amulet werden opgespeld. De mensen gebruikten de insignes tegelijkertijd als onderscheidingsteken en om zich een identiteit te geven. Dat gebeurde massaal, want bijvoorbeeld in het Zwitserse Einsiedeln werden in 1466 in twee weken tijd 140.000 insignes verkocht tijdens een jubileum van het lokale mirakelbeeld van Maria.

Het massaproduct uit de middeleeuwen komt pas de afgelopen dertig jaar weer boven water – vrijwel alleen met behulp van metaaldetectoren. Vooral dankzij de Nederlandse verzamelaar H.J.E. van Beuningen zijn ze nu erkend als belangrijke cultuurhistorische bron voor de middeleeuwse denk- en leefwereld. De aankoop van een collectie insignes door de gemeente Brugge was aanleiding voor de huidige tentoonstelling, zegt Koldeweij, die eerder insignes toonde op de ook door hem samengestelde tentoonstelling over Jeroen Bosch in het Rotterdamse Museum Boijmans in 2001. „Ik ben gevraagd hier mijn droomtentoonstelling over het onderwerp te maken.”

Dat betekent dat de ruim 500 insignes op de tentoonstelling getoond worden in combinatie met 150 uit verschillende landen en collecties bijeengebrachte schilderijen, beeldhouwwerken, gebedenboeken, handschriften, documenten en door archeologen opgegraven gebruiksvoorwerpen. „Een stokpaardje van me,” legt Koldeweij uit. „Alleen zo zie je hoe in de middeleeuwen de hoge en lage cultuur elkaar over en weer beïnvloedden.”

Een voorbeeld: Karel V draagt op een portret uit het Fitzwilliam Museum in Cambridge een insigne met de wurging van de heilige Godelieve. Precies dezelfde afbeelding staat op een tinnen insigne uit Gistel, waar Godelieve in de plaatselijke abdij werd vereerd, met dit verschil dat het insigne van Karel V van goud is.

Naast Karel V hangt het in 2005 door het Rijksmuseum gekochte portret van een Afrikaanse man van Jan Mostaert (ca. 1520-1530). Zijn rijke kleding geeft aan dat hij een man met status was. Dat signaal geeft ook het zilveren insigne op zijn rode muts af. Het lijkt sterk op een insigne van de Maria-verering in Halle bij Brussel, een geliefd bedevaartsoord van de Habsburgse adel dat ook Karel V regelmatig bezocht. Koldeweij: „Waarschijnlijk is dit dus de gekerstende Christoph le Mohr, een lijfwacht van Karel, die begonnen is als stalknecht.”

Maar Koldeweij wil ook laten zien dat anders dan velen denken de middeleeuwen meer waren dan alleen religieuze vroomheid. Er was ook volop dubbelzinnigheid, zoals blijkt uit het portret van de hofnar van keizer Maximiliaan. De letter M op zijn muts verwijst zowel naar Maria als naar zijn broodheer. Enkele zalen verder zijn insignes met lopende fallussen, copulerende paren en vagina’s op stelten zelfs eenduidig erotisch. Dat geldt ook voor drie grote glazen fallussen, waaruit gedronken kon worden. „Hiervan zijn er maar vijf bekend,” zegt Koldeweij, trots op zijn ‘oogst’.

Hoewel het hem verder is gelukt om voor het eerst drie taferelen bijeen te brengen van wat volgens recent onderzoek een triptiek van Jan Provoost in de Brugse Jeruzalemkapel is geweest, heeft Koldeweij niet alles wat hij wenste kunnen krijgen. „Ik wilde een fragment van een mirakelkruis uit een klooster in Damme, een paar kilometer van Brugge, naast het bijbehorende pelgrimsinsigne laten zien. Maar de nonnen wilden het niet afstaan, omdat ze het nog iedere zondag als object van devotie gebruiken.”

De tentoonstelling eindigt ‘vroom’ in de bidkapel van het Gruuthuse, met zicht op het altaar en koor van de Onze Lieve Vrouwe Kerk. Eind zestiende eeuw verdwenen de insignes, vertelt Koldeweij. Gelovigen hoefden niet meer fysiek op bedevaart te gaan om aan hun religieuze plichten te voldoen. Geestelijk reizen met behulp van bidsnoeren volstond. „Zoals je deze tentoonstelling ook alleen via de catalogus zou kunnen bezoeken.” Dat zou zonde zijn.

Geloof & Geluk. Gruuthusemuseum, Dijver 17, Brugge. T/m 4 febr. 2007, dagelijks behalve ma. 9.30-17 uur. Inl. +32 50 448 743, www.geloofengeluk.be