Hou op met dreinen over pensioenpremies – zeur over zinnige zaken

Met angst en beven zien we De Vergrijzing tegemoet. Wij, de ‘patatgeneratie’, de ‘generatie Nix’ moeten opeens de pensioenen betalen van onze ouders. Maar hoe erg is dat eigenlijk? Geen generatie is ooit zo rijk geweest. Laten de witte welvaartskinderen ophouden met zeuren en zich druk maken over belangrijker kwesties.

Mei Li Vos

Omschrijft zich als lid van de patatgeneratie. Oprichter van ‘Alternatief voor Vakbond’ (een vakorganisatie voor freelancers, jonge werknemers en starters) en kandidaat-Kamerlid voor de PvdA.

Met meer ouderen en minder jongeren dreigt een generatieconflict. Althans, dat zeggen de economen die vooral kijken naar pensioen- en zorgpremies. Die cijfers kennen we inmiddels: laten we het nu eens hebben over de echte conflicten, niet over oude mensen en dingen die voorbijgaan.

Ja ja, vroeger was alles beter. Toch zouden we nu niet meer in ‘vroeger’ willen leven. Iets meer dan een halve eeuw geleden waren we bijna allemaal, op een enkele uitzondering na, arm. Een boterham met tevredenheid kon je krijgen. Eén keer per week vlees, en dan hebben we het niet over de lellen gehakt of de halve kippen die we nu onder vlees verstaan, maar een zorgvuldig doorstoofd stuk taai vlees dat door de draderige structuur groter leek dan het was. Eens per week in de wastobbe, in het water van je oudere broertjes en zusjes. Niks geen rulle badjassen, of warmgestookte badkamers. Er was niet eens een badkamer. Op zondag mocht je niks doen, dat maakte weinig uit, er was ook niks te doen.

Maar, het moet gezegd, het was wel gezellig en overzichtelijk in die tijd. Er was wat sociale controle, je kon niet doodgaan zonder dat iemand het merkte. Aan de andere kant, je kon ook niet vreemdgaan zonder dat iemand het merkte.

Deze tijd is zo kort geleden dat velen van u die nog kennen. In 1940 bezaten de 5 procent rijkste Nederlanders 70 procent van het privévermogen in Nederland. De andere 95 procent moest het doen met de resterende 30 procent. Nederland was een ontwikkelingsland.

Dat is nu wel anders. De rijkdom is nog steeds oneerlijk verdeeld, maar er komt niemand meer om van de honger of kou. Iedereen kan naar school, ja zelfs tot ver na het eenentwintigste levensjaar; de huizen zijn verwarmd en bevatten op z’n minst een douche. Dat we nu doodgaan aan een teveel aan luxegoederen lijkt me een indicatie van onze welvaart. We zitten er warmpjes en weldoorvoed bij.

Dit is vooruitgang. Alle generaties bij elkaar zijn nog nooit zo rijk geweest, en er lijkt voorlopig geen einde te komen aan de technologische mogelijkheden om ons leven nog makkelijker, luxer en aangenamer te maken. De synthese is altijd beter dan de these. Kijk maar naar uw tv: het nieuwe exemplaar is altijd beter dan het oude.

En toch dreigt er een generatiestrijd, zeggen sommige economen. Dat zou te maken hebben met een ongelijke verdeling van de lusten en lasten van de verzorgingsstaat. Waarschijnlijk gaan die economen uit van de stelling dat een luxeprobleem ook een probleem is. Omdat ik van huis uit geen econoom ben, kan ik in blissful ignorance als politicoloog deze vraag benaderen. Met de centrale vraag voor politicologen, zoals Harold D. Lasswell die in 1936 poneerde: „Who gets what, when and how.” Dat is in essentie de vraag waar het in de politiek om gaat, en zeker in verkiezingsstrijd als de partijen elkaar met de jongste CPB-rapporten om de oren slaan. Goed. Who gets what, when and how. Die vraag stellen we per generatie.

Marshallhulp en Drees

De ‘stille generatie’ is geboren tussen 1930 en 1945. Wat deze mensen bindt is, dat ze de Tweede Wereldoorlog als kind hebben meegemaakt. Na de oorlog was het voor hen armoe troef, en golden witbrood en sigaretten als een ongekende luxe. De meesten van hen werden direct van school ingezet voor de wederopbouw van Nederland. Alleen door noeste avondstudie kon een aantal van hen hogerop komen. Wat ze al wel meekregen was een goed pensioenstelsel. De AOW werd in 1957 ingevoerd, en in die tijd betaalden de werkenden een paar procent van hun inkomen voor het staatspensioen voor de generatie vóór hen. Dat was ook maar een kleine generatie. Tevens konden de meeste werknemers meedoen aan de verplichte pensioenfondsen. Het fijne van toen was dat de pensioenen gebaseerd waren op eindlonen. Als je een beetje carrière had gemaakt, was je goed af. Collega’s die een minder steile inkomensontwikkeling hadden meegemaakt, betaalden voor dat systeem.

Dat gold overigens alleen voor mannen. Vrouwen werden geacht getrouwd te zijn en op het inkomen en het pensioen van hun man te leven. Vrouwen die niet aan dat plaatje voldeden, of voor een jonger exemplaar waren ingewisseld, begonnen hun gepensioneerde leven met een flink pensioengat op hun AOW.

Deze generatie miste net de leuke boot van de Rolling Stones, de pil, lang studeren en het Woodstock-festival. Daar waren ze net te oud voor, ze zaten net in de jonge kinderen. Bovendien moesten ze hard werken voor de kost zodra ze dat konden – de Marshallhulp moest immers wel worden stukgeslagen door hard wederopbouwen. Voor het opbouwen van het land haalden we ook een andere groep mensen uit de stille generatie binnen: gastarbeiders uit de mediterrane landen. Het was niet de bedoeling dat ze bleven, velen van hen hoefden dus ook niet mee te doen met de collectieve pensioenregelingen. Dat hebben ze geweten, na het in ontvangst nemen van hun AOW-gat.

De pil en rock ’n roll

Dan de ‘protestgeneratie’. Protestgeneratie is een beetje een overtrokken benaming, net als stille generatie, want mijn ouders waren verre van stil. Het zijn die paar behaarde Maagdenhuisbezetters en Damslapers die naam hebben gegeven aan deze generatie. De rest protesteerde hooguit stilletjes tegen het gezag van ouders en kerk en slikte stiekem de pil.

Voor het overige kon de protestgeneratie doorgaan op de ingeslagen weg van de vorige generatie. De gasbel werd ingezet voor ruimhartige sociale voorzieningen, huizen waren goedkoop en de hypotheekrenteaftrek steeg mee met de prijs van de woning. De 30 procent die mocht doorstuderen mocht dat lang doen, en de 70 procent die gewoon begon te werken mocht zich ervan verzekeren dat als hun baan verloren ging, er een goede werkloosheidsuitkering tegenover stond. Omdat ze nog jong en idealistisch waren in de jaren zeventig, hebben slechts weinigen van hen het toptarief van 72 procent hoeven betalen.

Deze generatie heeft, als generatie, een redelijk kapitaal opgebouwd. Het gemiddelde vermogen van de mensen die nu tussen de 55 en 64 jaar zijn, is de afgelopen twintig jaar met ruim 109 procent gestegen, van 82.000 euro naar 171.00 euro. Dat komt vooral door gestegen huizenprijzen, goede beleggingsresultaten en lage pensioenpremies.

Daarbij heeft deze generatie optimaal geleefd in het arbeidersparadijs. Met het arbeidersparadijs bedoel ik de periode tussen 1960 en 1980 waarin de meeste van onze socialezekerheidsarrangementen tot wasdom kwamen en toegankelijk waren voor iedereen die in Nederland woonde of werkte. Goede arbeidsomstandigheden, ruimhartige uitkeringen en een stabiel pensioensysteem. Mijn stelling wordt overigens gestaafd door cijfers van het CBS: de oudere generaties maken twee tot drie keer meer gebruik van bijstand, werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.

Kraken en no future

We gaan naar de ‘verloren generatie’. Niet voor niets verloren genoemd, ook omdat ze tussen twee redelijk aanwezige generaties zit. Dit zijn de mensen die geboren werden tussen 1955 en 1970. Met stille ouders, die niet veel anders konden dan hun kinderen maar hun gang laten gaan, want de protestgeneratie had inmiddels de weg gebaand.

De verloren generatie had het absoluut beter in haar jeugd. Er was genoeg te eten, en de wereld was, zeker in hun jeugd, nog redelijk overzichtelijk, zij het in zwart-wit en slechts op twee netten beschikbaar. Zij hadden echter de botte pech de arbeidsmarkt te betreden toen het bijzonder slecht ging met de Nederlandse economie, zo tussen 1980 en 1990. Er waren geen banen. De banen die zouden worden gecreëerd door hun ouders massaal met vut te sturen, waren niet voldoende om die grote groep, ook nog hoger opgeleid, een goede baan te bezorgen. Gelukkig waren er in die tijd nog redelijk toegankelijke werkloosheidsuitkeringen, en daar heeft deze generatie dan ook volop gebruik van moeten maken. Uit pure verveling stortte een deel van deze generatie zich op de punkmuziek en het kraken van huizen. De mazzelaars onder hen mochten in de kraakpanden blijven wonen, en het geluk van de enkeling levert nog steeds scheve ogen bij een aantal minder fortuinlijken onder ons, die ook wel in de Vondelstraat of Nieuwmarktbuurt in Amsterdam hadden willen wonen.

De meerderheid van de verloren generatie kwam echter wel weer aan het werk na 1994, toen het beter ging. Het vervelende was wel dat ze van onderop moest beginnen. Hoe hard men ook werkte, onvermijdelijk kwam er ooit een glazen plafond van protestgeneratiegenoten die nog lang niet van plan waren hun bestuurszetels op te geven. De mensen met de leukste banen willen allemaal wel langer doorwerken.

Met een beetje geduld zit het leiderschap er voor deze generatie ook wel in. Kijk naar de huidige fractievoorzitters en partijleiders, allemaal verlorenen. Het is echter deze generatie die ook de hoogste pensioen- en vroegpensioenlasten moet dragen. Zodra ze begon te werken, betaalde ze de volle mep. Daarbij heeft die generatie tot nog toe, historisch gezien, niet veel op haar conto staan. Geen oorlog gevoerd, het land niet opgebouwd, de macht niet omvergeworpen maar gewoon moeten wachten tot er plek was, op de arbeidsmarkt en de woningmarkt.

Hygiënisch verpakte hapjes

Nu wij, de ‘patatgeneratie’, de ‘pragmatische generatie’, de Nixers, de Einsteiners, de jeugd van tegenwoordig. Opgegroeid in een cornflakesjeugd, met een eigen tv op de slaapkamer, elke maand de nieuwste en hipste kleren, goed te betalen omdat de modeketens de productie hebben geoptimaliseerd en naar lagelonen-landen hebben verplaatst. De jeugd die hapklare brokken vindt, hygiënisch verpakt in de koelkast of broodtrommel. Of die niet eens een broodtrommel meeneemt, omdat de schoolkantine ruim voorzien is van diverse happen, broodjes en gefrituurde waar. Die elke dag lang onder de douche kan staan, uitgebreide assortimenten haarlakken en gels heeft, zich op felgekleurde fietsen en brommers mag verplaatsen naar uitspanningen, dansants en pretparken. Voor de jeugd van tegenwoordig is er altijd wat te doen.

Op school werden de nieuwste onderwijsconcepten op ons uitgeprobeerd, maar het belangrijkste was dat we het leuk vonden. Dat het een beetje uit onszelf kwam. Voor ons was de ov-studentenkaart uitgevonden. Rond de tijd dat we dat reizen door Nederland een beetje zat waren, kwamen de goedkope chartermaatschappijen, zodat we met onze vrienden niet naar de jeugdbuitenverblijven in Maarn en Zeist hoefden voor wat vertier, maar direct konden doorvliegen naar de Spaanse costa’s.

40 Procent van ons studeerde door, 60 procent deed dat niet. Maar dat maakte ook niet uit, want toen wij de arbeidsmarkt betraden, was de internetbubbel in zijn hoogtijdagen. De banen lagen voor het oprapen en het geld eveneens. Alleen de huizen zijn wat duur en met een tijdelijk contract kun je ook geen hypotheek krijgen. We wonen daarom wat langer bij onze ouders.

Het luxe leven geldt overigens alleen voor de witte jeugd. Die zich overigens ook mag verheugen in grote erfenissen van hun ouders, gemiddeld 180.000 euro per wit kind. De kinderen van de stille mediterrane generatie zijn bovengemiddeld vaak werkloos, 40 procent van de allochtone jongeren is werkloos, tegenover 20 procent van de autochtone jongeren. Voor hen ook geen erfenissen, want hun ouders hebben niet of nauwelijks pensioen opgebouwd. Eén troost: omdat er steeds meer ouderen komen, is er ook steeds meer werk in de zorg. Volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zouden alle kinderen die nu van school komen in de zorg moeten werken om aan de behoefte aan werknemers in de zorg te voldoen. Ik vermoed dat veel jongeren dat niet als een troost zien.

Geen reden tot klagen

Nu de centrale vraag: welke generatie moet nou een conflict met welke generatie hebben?

Als generatie heeft de ‘verloren generatie’ de meeste redenen om een conflict te hebben, niet alleen met de babyboomers, maar ook met de patatgeneratie. Maar de vertegenwoordigers van de verloren generatie zijn net gesetteld met kinderen, dus dat zal wel loslopen. Hooguit zullen ze de belastingen op erfenissen wat willen opkrikken en weigeren vut-premies te betalen. Maar dat moeten ze dan wel eens gaan doen, want generaties die niet klagen worden overgeslagen. De witte patatgeneratie moet zeker geen conflict met haar ouders beginnen, want dan verspeelt ze de erfenis. Bovendien zijn de meeste jongeren zo blij met hun vrijgevochten protestgeneratieouders dat ze nog lang thuis blijven wonen.

De enige generatie waarvan ik vind dat ze reden tot conflict heeft is de tweede generatie allochtone jongeren. Maar met wie? Met hun ouders, die hen niet gepusht hebben om hun school af te maken? Of die hen tussen twee culturen lieten hangen? Met de overheid, die te laks optrad tijdens hun jeugd en tegen discriminerende werkgevers? Met het kabinet, dat de discussie over wit en zwart op scherp stelde? Met hun generatiegenoten, die wel de leuke banen krijgen?

Alleen voor ons, de witte, welvarende burgers is er weinig reden om een generatieconflict te ontketenen. Natuurlijk, gepensioneerden zijn best rijk, en mogen best wat belastingvoordeel terugstoppen in de grote pot. Maar eigenlijk heeft geen enkele generatie veel reden tot klagen. We leven in een rijk land, en iedere generatie heeft zijn steentje bijgedragen om zo rijk te worden. Onze probleempjes zijn luxeprobleempjes. Probleempjes, daar niet van, maar geen reden tot conflict. Meer reden om te relativeren. Laten we minder zeuren.

Tegelijkertijd betekent niet zeuren geen stilstand of achteruitgang. De geschiedenis bewijst dat goed zeuren best kan helpen. En dat is iets wat we van de protestgeneratie kunnen leren. Zij hebben gezeurd om het einde van de Vietnamoorlog, met sit-ins, sleep-ins, protestmarsen en brievenacties. De protestgeneratie zeurde over de beschikbaarheid van de pil en heeft haar zin gekregen. De antiapartheidsbeweging heeft met succes gezeurd over het apartheidsregime in Zuid-Afrika. De Jubilee Foundation en de representant van de verloren generatie zanger Bono hebben gezeurd over de schuldenlast van derdewereldlanden. Een Schotse krant zeurde over de vergeten oorlog in Darfur en nu zit er een VN-vredesmacht. Ayaan Hirsi Ali zeurde over de rechten van de vrouw en kreeg in ieder geval het debat op gang.

De regering van Brazilië heeft ‘zeur niet’ gezegd tegen de farmaceutische industrie en produceert nu zelf goedkope medicijnen tegen aids. Al Gore zeurt over het klimaatprobleem, en heeft nu een aantal wereldleiders aan zijn missie verbonden.

Zeuren mag. Maar zeur dan over wezenlijke zaken.

Dit is een ingekorte versie van de tekst die Mei Li Vos afgelopen donderdag uitsprak bij de vierde Pietje Bell lezing, georganiseerd door NRC Handelsblad en de Rotterdamse Kunsthal.

De volledige tekst is na te lezen op www.nrc.nl/opinie: