Het Stem Circus

De Kamerverkiezingen gaan niet over grote thema’s. Ze gaan over personen en over wie de macht krijgt. „Wij houden van politici met roos op hun schouders en kreukelpakken.”

Boeren, burgers en buitenlui! Komt het zien! Het grandioze spektakel van de verkiezingscampagnes voor het nationale parlement nadert het hoogtepunt.

Woensdag 22 november is het zover. Dan mogen 12 miljoen Nederlanders hun stem uitbrengen op hun favoriete partij en zo de samenstelling van de Tweede Kamer bepalen. Dan wordt duidelijk wie de grootste wordt!

Wordt het de christen-democratische Jan Peter Balkenende in de leeuwenkuil? Wordt het zijn sociaal-democratische opponent, Wouter Bos op het slappe koord? Zal de sociaal-liberale degenslikker Rutte het afleggen tegen de conservatief-liberale vrouw met de baard: Verdonk? Overleeft de menselijke kanonskogel Pechtold zijn vrije val? En zal het de dwergjes Geert Wilders, Olaf Stuger, Hilbrand Nawijn en Marco Pastors lukken op elkaars schouders te lijken op de reus Pim Fortuyn?

Nooit eerder was er zoveel aandacht voor een Nederlandse verkiezingscampagne. Nooit eerder was de campagne omgeven met zoveel heisa. Maar ook nooit eerder werd er zoveel geklaagd over het gebrek aan inhoud.

Trendwatcher Adjiedj Bakas vindt dat de campagne over ‘flutonderwerpen’ gaat. „De hypotheekrenteaftrek. De AOW. Op zich wel belangrijk, maar niet de onderwerpen waar het over moet gaan.” Volgens Bakas had de toekomst van Nederland centraal moeten staan. „Kiezen we voor het Argentijnse model: van ooit een rijk land naar een arm land? Of kiezen we voor een nieuw VOC-model?”

Kennelijk was premier Balkenende door die gedachte geïnspireerd, toen hij zich bij de Algemene Politieke Beschouwingen in september uitsprak als voorstander van een mondiale handelsgeest. Maar hij vond weinig weerklank buiten de eigen gelederen. De Vereenigde Oostindische Compagnie is dan wel de eerste multinational ter wereld, maar wordt eerder geassocieerd met kolonialisme, uitbuiting en corruptie. Het onderwerp verdween uit beeld.

Bakas had ook graag gezien dat de bevolkingspolitiek thema van debat was geweest in de campagnes. Hij signaleert een braindrain: talentvolle Nederlanders die vertrekken. Vorige jaar emigreerden 120.000 Nederlanders, dit jaar 130.000. Bakas interviewde emigranten: „Veel dertigers, hoger opgeleid. Zij vinden dat Nederland aan het tutten-frutten is. Dan denk ik: kindertjes, dáár moet het over gaan.”

Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, moet diep zuchten op de vraag waar de verkiezingen over gaan. „Er is geen thema. Integratie niet. Milieu kwam even aan de orde door de film van Al Gore, maar in de debatten ging het er niet meer over.”

Literatuurhistoricus Herman Pleij stoort zich aan het naar binnen gekeerde karakter van de campagnes. „Het gaat er helemaal niet om wat een politieke partij kan mobiliseren vanuit de ideologie en de langetermijnvisie. We zijn zeer afhankelijk van de wereld. Van de internationale handel. Tot in de negentiende eeuw zijn we blijven denken dat we een machtig land waren. Dat waren we toen allang niet meer. In de tweede helft van de negentiende eeuw hebben we bedacht: laten we het geweten van de wereld worden. Daar kwam het Vredespaleis uit voort. Dat loopt door, van de nationale acties voor internationale doelen waar we zo van houden, tot het Internationale Strafhof. Als het daar niet meer over gaat, juist nú niet, dan worden we een navelstaarderig, naar binnen gekeerd land.”

Maar worden verkiezingscampagnes, ook internationaal gezien, wel gevoerd op echte onderwerpen? Wordt er tijdens de Amerikaanse, Britse, Vlaamse of Duitse verkiezingsstrijd door hoofdrolspelers werkelijk inhoudelijk gedebatteerd over belangrijke vraagstukken?

Uit een recente media-analyse van de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit blijkt dat kiezers in Nederland de politieke partijen associëren met bepaalde aan die partijen gebonden ‘huisonderwerpen’. Zo kan de VVD niet scoren door over het milieu te praten, GroenLinks wel. Gezin, normen en waarden horen bij het CDA, zoals de sociale zekerheid hoort bij PvdA en SP.

De grote onzekerheid onder de kiezers over de vraag aan welke partij zij hun stem moeten geven, is de motor achter de hectische bedrijvigheid van politici. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat veertig tot vijfenveertig procent van de kiesgerechtigden nog niet weet op wie ze gaan stemmen.

Illustratief voor de onzekerheid, en ook weer uniek voor Nederland, is de explosie van het verschijnsel kieshulp: de stemwijzers. Naast ‘neutrale’ websites, zoals Stemwijzer.nl of Kieskompas.nl, zijn er kieshulpen voor maatschappelijke geledingen van katholieken, vakbondsleden, liberalen, en studenten tot anti-globalisten.

En iedereen, kiezers en politici, houdt constant de ook al talrijke opiniepeilingen in het oog. Eindelijk houvast! Hoewel die onderzoeken steeds alleen vragen naar de partij die de ondervraagde zou kiezen „als er vandaag verkiezingen” zouden zijn, worden de uitkomsten meestal beschouwd als voorspellingen van de stembusuitslag. Maar juist het grote aantal zwevende kiezers maakt de voorspellende kracht van de peilingen ongewis. En dat verhoogt weer de nervositeit.

Alle campagneopwinding ontstaat natuurlijk omdat verkiezingen weliswaar formeel gaan over de samenstelling van de Tweede Kamer, maar indirect het antwoord geven op de vraag wie de macht krijgt in Nederland na 22 november. Het kiesstelsel, of preciezer: de onjuiste ideeën daarover, kan leiden tot het misverstand dat burgers de minister-president kiezen. Dat idee wordt bijvoorbeeld ondersteund door een televisiedebat, zoals georganiseerd door RTL 4, waar alleen Balkenende en Bos aan meededen: als kandidaat-premiers.

Wie van die twee op 22 november ook de grootste blijkt te zijn, hij kan niet meteen als minister-president aan het werk. Omdat in de Nederlandse parlementaire democratie doorgaans geen enkele partij de absolute meerderheid haalt, zal de winnaar van de verkiezingen de macht moeten delen met andere partijen. Dan gaat het erom ‘wie de formatie wint’. De verkiezingsuitslag is niet meer dan het begin van het spel van de kabinetsformatie dat vooral achter de schermen wordt gespeeld.

Zeker in deze laatste fase van de campagne gaat het al over die coalitievorming. Partijen doen in de regel voor verkiezingen vaag over de gewenste coalitie na verkiezingen. Ook dit keer gaat dat zo. De VVD, die uit de peilingen opmaakt dat de partij er niet florissant voorstaat, heeft wel een voorkeur uitgesproken en zich vastgeklonken aan de huidige coalitie met het CDA. Oud-partijleider van de VVD en minister van Financiën Zalm heeft laten weten dat zo’n samenwerking die niet gebaseerd is op een meerderheid in de Kamer, hem uitstekend bevalt. Maar Balkenende gaf hem afgelopen week een cold sholder: de CDA-leider wenst steun van een parlementaire meerderheid. Het raadsel is alleen: met welke partij? Want het CDA heeft de PvdA, en speciaal haar leider Bos, in de campagne weggezet als onbetrouwbaar en conservatief.

Van de weeromstuit kruipen ter linkerzijde PvdA, SP en GroenLinks aarzelend naar elkaar toe. Onder druk van de opmars van de SP terwijl de PvdA-aanhang slinkt, alweer in de peilingen, lijkt Bos toeschietelijker om dat als realistisch alternatief te zien. Schnabel: „Ik denk dat opiniepeiler Maurice de Hond dit keer gelijk heeft: dat de winst van de SP bedoeld is als een signaal van de kiezers aan de PvdA. Dat de partij niet met het CDA moet gaan samenwerken. De vaagheid daarover wordt de PvdA door de kiezers niet in dank afgenomen.”

Voor de hoofdrolspelers rest één zekerheid: stemmenwinst bepaalt de uitgangspositie in het komende formatiespel. En de stemmen moeten vooral worden geworven door de politieke hoofdpersonen: de ‘poppetjes’.

Die verpersoonlijking van de politiek is geen splinternieuw verschijnsel maar schrijdt wel steeds verder voort. Schnabel legt een verbinding met de erosie van ideologieën. „Het gaat steeds meer om personen omdat het steeds ingewikkelder wordt om iets over de ideologische verschillen te zeggen.”

Ook dat is een internationale trend. Maar afwijkend en geheel Nederlands is dat de politici bij het dingen naar de kiezergunst diep door de knieën gaan. Een minister-president die optreedt als gastpresentator in een roddelprogramma op tv, zoals Balkenende deze week bij RLT Boulevard, zal buiten de landsgrenzen niet snel voorkomen. Evenmin laten politieke kopstukken zich daar snel in damesbladen verleiden tot een uitspraak als „ik wou dat ik bi was, dan liep de hele wereld achter me aan”, zoals VVD-lijsttrekker Rutte deed in Viva . Of tot een emotionele uitspraak, zoals PvdA-lijsttrekker Bos deed in de Telegraaf, dat de anderen hem „kapot willen maken”.

„Kern van de zaak is”, zegt Herman Pleij, „dat wij niet tegen mensen willen opkijken. In het buitenland is de premier altijd een macho die saxofoon speelt, secretaresses verleidt en ook nog met China onderhandelt. Wij zijn een zeer democratisch land. Wij hebben nooit een sterke leider gehad. Dat heeft te maken met ons ontstaan: als je een land drooglegt, moet je dat samen doen, anders wordt je buurman nat.”

Bakas heeft een zelfde soort observatie als het om Nederlandse leiderstypen gaat. „Wij houden van politici met roos op hun schouders en kreukelpakken. Nederlanders houden niet van winnaars. Als je Nederlanders in hun hart wil raken, moet je zielig doen. Bos doet dat nu heel goed. Hij speelt niet de golden wonderboy. Omgekeerd heeft Balkenende nu opeens zo’n triomfatoruitstraling. Daar moet hij heel erg mee uitkijken.”

Pleij bevestigt: „Bij ons moet de premier een gewoon mens zijn. Hij moet iets sukkeligs hebben. Dat geeft ons het idee dat wij het ook hadden kunnen worden. Maar wij hadden toevallig iets anders te doen.”