Het (on)gelijk van de brandspuit

De kwestie van de vermoedelijke mishandeling van Iraakse gevangenen door Nederlandse militairen is explosief. Wat nu bekend is houdt het midden tussen onmenselijk en vernederend handelen, hetgeen verboden is volgens internationaal en nationaal recht. In juridische zin lijkt van marteling geen sprake. Voor zover bekend hielden de Nederlanders een paar dagen vijftien gevangenen wakker, stelden hen bloot aan hard geluid, of fel licht in afwisseling met een blinddoek. Dat is grof en hardhandig, maar is het zeer ernstig leed, dat wreed werd toegebracht?

Oorlog gaat om mensenlevens – militairen worden op hardhandige ondervragingsmethoden voorbereid en passen die ook toe. Alleen: Nederland voerde in Irak geen oorlog. De strijd was voorbij – het was er in 2003 relatief rustig. De Amerikaans-Britse bezettingsautoriteit had haar positie ingenomen. De Nederlandse militairen vormden de voorhoede van de Nederlandse bijdrage aan de pacificatie van Irak. In dit specifieke geval waren de Nederlandse strijdkrachten expliciet niet bevoegd om zelf verhoren af te nemen. Praten met gedetineerden was wel mogelijk „maar dient plaats te vinden zonder enige vorm van dwang of dreiging”, zo heette het in een intern stuk. Eventuele gevangenen moesten zo snel mogelijk aan de Britten worden overgedragen.

Ze zaten dus goed mis – onze jongens in veroverd Irak met de brandspuit, de gettoblaster en de afgeplakte skibrillen. Ze handelden niet binnen het mandaat dat Nederland had van de Coalition Provisional Authority en resolutie 1483 van de Veiligheidsraad. Of hun handelen daarmee ook strafbaar was, bleek een oordeel dat de marechaussee aan zichzelf voorbehield. De zaak werd binnen Defensie als een disciplinekwestie afgedaan.

Een nerveuze minister Kamp zei gisteren dat de betrokkenheid „van een ieder, ook van mij” uitgezocht moest worden. Later zei hij wel van de kwestie te hebben geweten. Maar of dat ook gold voor de omvang en de details ervan valt sterk te betwijfelen. In ieder geval gaf Kamp in mei 2004 antwoord op de schriftelijke vraag van het Kamerlid Karimi (GroenLinks) dat er „bij de Nederlandse commandant en de militairen in Irak niets bekend is over mishandeling van gevangenen”. Dat kan achteraf nauwelijks meer voor waar worden gehouden.

Mogelijk wordt Kamp, net als minister Hirsch Ballin onlangs, door zijn ambtenaren niet meer verteld wat er echt aan de hand is. Dan werd hij dus uit jokken gestuurd door zijn ambtenaren. Zijn positie is dan onhoudbaar geworden – net als die van zijn ambtenaren. Met als mogelijke verklaring dat de Nederlandse defensietop in de nasleep van de Abu Ghraib-kwestie, mishandelingen door Amerikaanse militairen, geen dito Nederlandse rel wilde.

Laakbaar is in ieder geval dat Defensie deze kwestie destijds afhandelde alsof ze alleen van intern belang was – zonder enige ruchtbaarheid. Terwijl een vechtpartij door militairen in een Noorse discotheek of een geval van pesterij aan boord van een fregat op een persbericht, een aangifte en een bestuurlijke maatregel kunnen rekenen. Politieke, publieke afhandeling is de norm in een open democratie. Nu al kan worden vastgesteld dat bij een zo gevoelige operatie, op zo’n delicaat tijdstip dergelijke fouten niet hadden mogen worden gemaakt. En zeker niet worden verzwegen. Dat stelt het vertrouwen van de burger in de leiding van het militaire apparaat ernstig op de proef.

Welke andere feiten over het Nederlandse optreden in Irak of Afghanistan zijn er dan verzwegen, verkleind, weggedefinieerd of verstopt? Misschien moet de brandspuit toch maar in gebruik blijven – maar dan om Defensie te dwingen correct publiek verantwoording af te leggen.